Easyjet als voorbeeld voor de auto-industrie

Prijsvechters in de auto-industrie: het is een betrekkelijk nieuw fenomeen dat snel terrein wint. Zeker nu het machtige Toyota zich in de strijd werpt. Het Japanse concern wil een volwaardige auto gaan maken die spotgoedkoop is.

Volkswagen Fox: prijs 8.990 euro

Easyjet en Ryanair halen met stuntprijzen passagiers bij alle grote luchtvaartmaatschappijen weg. En voor boodschappen doen bij de Aldi schaamt geen mens zich meer. De auto-industrie lijkt dat spoor te gaan volgen.

Het innovatieve Toyota gaat volgens een interview met topman Katsuaki Watanabe in de Britse zakenkrant Financial Times via extreem goedkope en revolutionaire productiemethoden een complete auto produceren voor minder dan 10.000 euro. Via zeer goedkope bouwmaterialen die de Japanners desnoods zelf zullen ontwikkelen. De nieuwe wagen moet ook meer waar voor zijn geld gaan bieden dan de Toyota Aygo, die nu al 8.990 euro kost.

De nieuwe Toyota moet minder gaan kosten dan het budgetmodel van Renault, de Dacia. De in Roemenië gebouwde Dacia Logan wilde Renault helemaal niet in West-Europa gaan verkopen. Maar wegens de stagnerende verkopen in West-Europa, waar de autoprijzen de laatste vijf jaar met soms wel 20 procent zijn gestegen, leek het de Fransen alsnog wel een goed idee om de Oost-Europese prijsvechter hier op de markt te zetten.

Volkswagen volgde dat voorbeeld met de uit Brazilië geïmporteerde Fox. Met succes. Want de vraag naar veel auto voor weinig geld – de Dacia kost 8.495 euro, de Fox 8.990 euro – nam ongemerkt toe.

De autobranche heeft inmiddels een naam bedacht voor het nieuwe opkomende segment: value brands. Volgens strategisch marktonderzoekbureau Roland Berger betreft het auto’s van minder dan 10.000 euro catalogusprijs. Berger voorspelt dat tussen nu en 2012 het aantal betaalbare auto’s op de wereldmarkt met 4 miljoen meer dan gemiddeld zal groeien, tot 18 miljoen.

Maar is iedere auto van minder dan 10.000 euro een prijsvechter? Renault, dat in 1998 het indertijd dubieuze Roemeense merk Dacia overnam, betwijfelt het. Renault denkt dat concurrentie op de laagste prijs alleen geen nieuwe kopers trekt. De Fransen ontwikkelden op basis van de Clio-techniek namelijk een volwaardige vierdeurs sedan, de Logan, die men als de zogenaamde ‘5.000 euro auto’ onder de aandacht van het publiek bracht. Voor dat bedrag is de Logan in Nederland niet te koop, onder andere wegens iets aangepaste specificatie en de hoge belastingen. Hij staat derhalve voor 8.495 euro in de prijslijst.

Vorig jaar verkocht Dacia in het thuisland Roemenië 107.000 Logans, 50.000 in Rusland en 19.000 in Frankrijk. Zonder dat de verkoop werd ondersteund door enige publiciteit waren het er in Nederland slechts 780.

Dat is minder dan de bijna 6.300 in Nederland verkochte Volkswagen Foxen, die in Brazilië wordt gemaakt. Natuurlijk zijn er meer auto’s voor minder dan 9.000 euro te koop. Dat zijn echter niet allemaal prijsvechters. Een kleine Kia Picanto, Chevrolet Matiz of Suzuki Wagon R hebben qua ruimte en prestaties minder te bieden dan een Fox of Logan. De echte ‘value’ van een prijsvechter wordt volgens Jan Ptacek, directeur marketing van Dacia bij moederbedrijf Renault, door een aantal factoren bepaald. „Het is niet alleen de prijs maar ook het product dat telt. Je moet meer auto voor hetzelfde geld bieden, plus eenvoudige techniek en een dicht servicenetwerk.”

Aanleiding voor zijn uitspraak was de introductie van een volgende Logan, de MCV stationwagon, een forse (445 cm lange) en daardoor riant ruime stationcar waarin vijf tot zelfs zeven personen plus bagage passen. Voor een prijs (in Nederland) vanaf 9.995 euro. Aangekleed met wat extra’s en met zeven zitplaatsen komt de MCV nog steeds op slechts 12.595 euro.

Dacia ziet de Koreaanse merken, ooit scherp geprijsde debutanten op de markt voor laaggeprijsde auto’s in West- Europa, niet eens meer als echte prijsvechters. Hun instapprijzen zijn laag, maar de modellen worden door de extra’s snel een stuk duurder.

De strategie achter het Dacia-project strekt zich ook veel breder uit dan bij de concurrentie. Over een paar jaar komen de Chinezen met messcherpe prijzen. Een ‘Shanghai Maple’ kost in China amper 5.000 euro. Daarvoor moet je als westerse autoproducent echt vrezen denkt Ptacek. Hoewel hij ook zijn reserves ten aanzien van China heeft. „Prijs alleen is geen garantie voor succes, je moet ook kwaliteit bieden, veiligheid. En een uitgebreid dealernet hebben.”

    • Wim Oude Weernink