De staat van Amerika

In de politiek is vijf jaar lang. We schrijven 2002, rond deze tijd, als George W. Bush zijn State of the Union houdt, de jaarlijkse toespraak van de Amerikaanse president voor het verzamelde Congres. Zijn woorden worden live uitgezonden, zijn publiek is immens. Amerika heeft een paar maanden ervoor een ongekende terreuraanval doorstaan. Het land en de wereld daveren nog na van die klap. De natie is in oorlog. Bush kan rekenen op de volledige medewerking en politieke steun van Senaat en Huis van Afgevaardigden. De burgers staan achter hem. Zijn Republikeinse partij heeft het voor het zeggen.

Vijf jaar later: de grote afbrokkeling van de president is een feit. Van de steun is weinig over, de politieke verhoudingen zijn gewijzigd. Een mislukte oorlog heeft de president doen struikelen. Zijn onvoorzichtigheid kan Bush zichzelf verwijten.

Het was een fletse State of the Union die de president gisteravond uitsprak. Wat een verschil met die van 2002, toen – mooi gebaar – Hamid Karzai zich als leider van het zojuist door de Amerikanen bevrijde Afghanistan door het Congres liet toejuichen. Hij was aanwezig als symbool van de hoop en de gewonnen strijd tegen het Talibaan-bewind. De Amerikaanse oorlogspolitiek voor Afghanistan kon aanvankelijk geslaagd worden genoemd. Maar de successen daar zijn volledig overschaduwd door de catastrofe in Irak.

Bush’ wijziging van militaire strategie, onlangs aangekondigd, oogt niet overtuigend. Een klinkende zege is hoe dan ook ver weg. Er gaan meer troepen naar het land en hun tactiek zal anders zijn: aangepast aan de guerrillaomstandigheden en meer gericht op wederopbouw en training van Irakezen. Maar het is te laat, en de politieke en maatschappelijke steun ervoor ontbreken.

Als blijk van de veranderde verhoudingen in het Congres zat achter de president een uiterst kritische ‘Madame Speaker’, Nancy Pelosi van de Democraten, de zichtbaarste en machtigste politieke tegenstander van de oorlog in Irak. Ook zij en haar partij hebben in wezen geen alternatief voor Bush’ Irak-beleid. Maar ze kunnen voorlopig met de armen over elkaar toezien hoe rebellerende Republikeinen het hun eigen president de komende tijd moeilijk maken.

Vijf jaar na zijn geruchtmakende State of the Union-rede van 29 januari 2002, met daarin onder andere opgenomen Bush’ visie op de As van het Kwaad, hebben Amerika en de wereld te maken met een andere, aangeslagen president. Door de oorlog in Irak is het alles bij elkaar een uiterst moeizaam lustrum geworden. De 21 maanden die Bush als president nog heeft te gaan, bieden weinig uitzicht op verandering.

De Democraten zullen, of ze willen of niet, moeten nadenken over een eigen aanpak voor Irak. Aan de bondgenoten in Europa en bij de NAVO biedt deze periode van gebonden handen in Washington de kans om zichzelf te profileren. Noodgedwongen, want het Amerika van Bush zal tot de presidentsverkiezing op 4 november 2008 veel met zichzelf bezig zijn.