Alleen maar brandnetel en distel

Stikstof belemmert de natuurontwikkeling langs de Nederlandse rivieren. De uiterwaarden afgraven is haast de enige mogelijkheid om de gewenste vegetatie weer terug te krijgen.

Uiterwaard langs de Rijn bij Arnhem. (Foto Freddy Rikken) Zuidelijke Rijnoever bij Arnhem, uiterwaardenpark Meinerswijk FOTO: Freddy Rikken Rikken, Freddy

Sander Voormolen

Bij natuurontwikkelingsprojecten in de Nederlandse uiterwaarden langs de grote rivieren wil de natuurlijke oevervegetatie maar niet terugkomen. De voornaamste oorzaak daarvan is de hoge concentratie stikstof in de bodem, zegt landschapsecoloog Martijn Antheunisse, die gisteren in Utrecht op het onderwerp promoveerde.

Lopend door de uiterwaarden langs de Ooijpolder ten oosten van Nijmegen wijst Antheunisse aan wat de overmaat aan stikstof met de vegetatie doet. „Kijk, hier staan voornamelijk brandnetels, akkerdistels, Engels raaigras, bramenbosjes en veel rietkragen. Het zijn allemaal algemen soorten die snel groeien, en er is maar weinig variatie in soorten. Met een ander beheer zou hier een ecologisch veel waardevollere natuur kunnen staan.”

„In de lagere delen bijvoorbeeld zegge-moerassen en wat hogerop soortenrijke dotterbloemhooilanden en bosschages van zwarte populieren. Op zandige ondergronden die slechts een paar maanden in het jaar droog staan kan een heel dynamische vegetatie met slijkgroen ontstaan, die kiemt zodra het droogvalt en al zaad heeft gezet als het water weer terugkomt.”

Al dit moois schiet niet spontaan de grond uit als de rivieruiterwaarden met rust worden gelaten. Op zoek naar de oorzaak trok Antheunisse het land in. Gewapend met een schop en wat veldinstrumenten bemonsterde de Utrechtse ecoloog op diverse plekken langs de Waal, de Nederrijn, de Maas en de Overijsselse Vecht de bodem in de uiterwaarden. Tegelijk inventariseerde hij de flora ter plaatse. Bijna overal trof hij zeer hoge concentraties stikstof aan.

„Uiterwaarden horen van nature stikstofrijk te zijn”, zegt Antheunisse, „want tijdens hoog water stromen ze over en dan bezinken er altijd voedingsstoffen.” Maar de Nederlandse waarden zijn onnatuurlijk hoog, zo vond de promovendus.

De verklaring was snel gevonden. Ten eerste zijn de Nederlandse uiterwaarden al lang in gebruik voor het weiden van vee, en sinds de jaren vijftig zijn de boeren die landen ook gaan bemesten, soms ook met kunstmest. Daarnaast voert de rivier extra voedingstoffen aan door uitspoeling van meststoffen stroomopwaarts. Antheunisse: „In de jaren zeventig en tachtig waren vooral fosfaten een probleem voor vissen en planten in de rivier zelf. Maar sinds die uit de wasmiddelen verdwenen, is het fosfaatgehalte in het rivierwater gedaald. Het nitraatgehalte van de rivier is echter nog altijd even hoog als twintig jaar geleden.”

Het gevolg is dat er in de Nederlandse uiterwaarden een soms metersdikke voedselrijke laag is afgezet. „Vooral daardoor zijn snelle groeiers onder de planten en struiken er altijd in het voordeel, ten koste van de typische riviervegetatie.” Soms was de stikstofconcentratie zo hoog dat de plantengroei er tot recordhoogte was opgevoerd. „Ik heb langs de Oude Maas bij Spijkenisse een jaarlijkse productie van 7 kilogram droge stof per vierkante meter gemeten. Nou op zo’n productie zouden agrariërs prompt jaloers worden.”

Iets verder stroomopwaarts langs de Waal begint het natuurgebied De Gelderse Poort. Het is een stukje wilde natuur langs een van de drukst bevaren rivieren ter wereld. „Staatsbosbeheer en wat andere natuurbeheerorganisaties zijn wildenthousiast over de natuur. Maar zij letten vooral op de fauna. In de Gelderse Poort zijn met succes bevers uitgezet, zilverreigers en visarenden komen hier voor. Er is zelfs weer een zwarte ooievaar gezien. Die ken ik eigenlijk alleen van de relatief onverstoorde rivieren in Oost-Polen.”

Met bijzonder planten schiet het, afgezien van een paar eenzame meidoornstruiken, echter nog niet erg op. De erfenis van decennialange nitraattoevoer staat herstel in de weg. Pas als het nitraatprobleem verholpen wordt, heeft de soortenrijke flora een kans. De traditionele methode, langzaam de bodem verarmen door het gebied te maaien en het maaisel af te voeren, zal niet volstaan, zegt Antheunisse. „Ik bereken in mijn proefschrift dat je met deze methode op zijn minst vijftig jaar bezig bent, en dan ben ik er nog vanuit gegaan dat er geen voedingsstoffen meer bijkomen. Dat is dus volkomen onrealistisch.”

Om echt verder te komen zijn rigoureuze maatregelen nodig zoals het afgraven van de voedselrijke sliblaag, denkt Antheunisse. Dan nog is aanvullend beheer nodig om hernieuwde ophoping van voedingsstoffen in de bodem tegen te gaan.

Antheunisse: „Ten slotte moet je zorgen dat de gewenste plantensoorten de gebieden weer kunnen koloniseren. Oude voorraden van zaden zijn er vaak niet meer in de bodem, dus je moet bijvoorbeeld maaisel met zaden uit andere gebieden over de grond verspreiden om weer nieuwe aanwas te krijgen. Het is een beetje tuinieren, dat geef ik toe. Dat staat me eerlijk gezegd wel een beetje tegen, maar daartoe zijn we in Nederland nu eenmaal veroordeeld.”

    • Sander Voormolen