Terrorist na wat verkeerde afslagen

Het blad The New Yorker publiceerde een portret van een Al-Qaeda-terrorist.

De belangrijkste vraag is: wat drijft zo iemand?

Zelden zo gelachen om een stuk over Al-Qaeda. Maar dat is het risico als je de menselijke kant te zien krijgt van een aanhanger van terreur en fanatisme. Dan kan zo iemand opeens een betrekkelijk herkenbare achtergrond blijken te hebben – met goedbedoelende ouders, getob in de tienerjaren, een heftige identificatie met een bepaalde muzieksmaak en andere eigenaardigheden waarmee je hem zou kunnen plagen in een sinterklaas-gedicht, zonder er verder veel achter te zoeken.

Adam Gadahn was zo’n jongen, blijkt uit een mooi portret van deze bloeddorstige Al-Qaeda-figuur in The New Yorker. Hij groeide op in de Verenigde Staten als zoon van ouders die zich als een soort hippies afkeerden van de consumptiemaatschappij. Op een afgelegen plek in het zuiden van Californië bouwden ze een boerderijtje om helemaal zelfvoorzienend te kunnen zijn: ze fokten geiten, wekten hun eigen elektriciteit op, onderwezen zelf hun kinderen, hadden geen stromend water en aanvankelijk ook geen telefoon. Toen ze een televisie met een accu kregen, maakten ze zich zorgen dat hun kinderen te veel keken.

Zoon Adam was een intelligente, verlegen jongen. Als tiener voelde hij zich weliswaar aangetrokken tot death metal, lugubere muziek met, zoals Wikipedia het uitdrukt, „diepe gegromde of geschreeuwde vocalen”. Maar dat zijn er wel meer, en het leidt doorgaans niet tot deelname aan terroristische organisaties.

In een recensie van een cd toonde hij zich een wat pietluttige muzikale purist: hij mopperde over technische onvolkomenheden die je kon horen als je met een koptelefoon op goed luisterde – maar hij sprak zijn tevredenheid uit over „de grommende keelklanken die van begin tot eind weerzinwekkend zijn”. Met zijn tante ging hij ook braaf naar klassieke concerten. En zijn politieke engagement richtte zich vooral tegen de toenemende verstedelijking van het landschap.

Kortom, geen tiener om je echt zorgen over te maken. Meer een aandoenlijke jongen wiens ernstig beoefende hobby soms op je lachspieren werkt – als een eenmans-persbureautje van de Death Metalsubcultuur prees hij de bands van Peru („yea, they’ve got a growing metal scene down there”) tot Litouwen en het Verre Oosten („a godly power/thrash band outta Malaysia”).

Maar het lachen vergaat je snel. Gekweld door gevoelens van geestelijke leegte kwam Gadahn op internet terecht bij islamitische discussiegroepen. Hij bekeerde zich tot de islam, kwam in contact met een groepje uiterst fanatieke gelovigen, radicaliseerde ook zelf snel – en vertrok naar Pakistan. Inmiddels heeft hij met Al-Qaeda een aantal video’s voor een breed publiek gemaakt waarin hij zich verheugt over het bloed dat door Amerikaanse straten zal stromen. Azzam al-Amriki, zoals hij nu heet (Azzam de Amerikaan), is een belangrijke media-adviseur geworden van de mensen rond Bin Laden. Hij staat op de lijst meest gezochte misdadigers van de FBI en wordt beschuldigd van landverraad.

De afgelopen jaren zijn er heel wat vergelijkbare levensverhalen geschreven (in Nederland bijvoorbeeld over Theo van Goghs moordenaar Mohammed B.), al dan niet met internationale links. Wat ze zo boeiend maakt is dat je er een antwoord in hoopt te vinden op de vraag hoe iemand zo ontzettend de weg kan kwijtraken. Iemand neemt een paar verkeerde afslagen in het leven, lijkt het wel, en hij is volgeling van Bin Laden of zelf een terrorist of moordenaar. En misschien gaat het ook wel zo.

Maar van alleen de islam, het internet of zelfs death metal word je nog geen terrorist. Waardoor dan wel? Hoe komt het dat Adam Gadahn zijn heil bij Al-Qaeda zocht, terwijl zijn zusje schoonheidsspecialiste is geworden?

Vorige week bracht de Nederlandse Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding een rapport uit getiteld Jihadisten en het internet. Een van de conclusies luidt dat van propaganda via het internet wel een dreiging uitgaat, maar vooral „in combinatie met een relatief grote groep jonge moslims die zoekend is”. Maar zoekend naar wat? Het zijn eenzame, geïsoleerde jongeren, volgens een onderzoeker die in The New Yorker wordt geciteerd, die aansluiting zoeken bij een sociaal verband. Maar daar schiet je ook weinig mee op, want daarvan zijn er zoals bekend heel wat meer dan Al-Qaeda vacatures heeft.

In Londen begon, ook vorige week, het proces tegen de mannen die op 21 juli 2005 een aantal mislukte zelfmoordaanslagen pleegden in het openbaar vervoer (twee weken eerder had een andere reeks aanslagen wél tot bloedbaden in de Londense bus en metro geleid). Op monitorbeelden uit een metrostel, die in de rechtszaal werden vertoond, was te zien hoe een van de verdachten kijkt naar een vrouw met een kinderwagen die naast hem staat. Op dat moment probeert hij de bom in zijn rugzak tot ontploffing te brengen. De 25-jarige man, bleek later, is getrouwd en vader van twee kinderen.

Wat drijft zo iemand? Dat is geen loze vraag, zeker niet nu sinds kort ook de Amerikaanse regering toegeeft dat de Oorlog tegen Terreur er niet in geslaagd is Al-Qaeda in het nauw te dringen.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van nrc.next en NRC Handelsblad.

Het artikel uit The New Yorker is te lezen via nrc.nl/wereld