Rokende bossen en de falende staat

De scène is van een paar weken geleden: mensen verdringen zich voor de balie van AdamAir op het vliegveld van Makassar, waar een employé de namen ophangt van de 102 passagiers die zich in het verongelukte vliegtuig bevonden. Geruchten dat er twaalf overlevenden zouden zijn, deden de ronde. De namen blijken maar half te kloppen – opnieuw hoop en paniek bij de honderden nabestaanden. Bij nader inzien: vergissing en iedereen dood.

Even lag Indonesië onder het vergrootglas: een gemoedelijk, ontspannen land, dat wel. Maar ze vliegen met stokoude, tweedehandstoestellen van Amerikaanse maatschappijen, de verplichte onderhoudscontroles worden meer op papier dan in werkelijkheid uitgevoerd. Ineens blijken ook de radarinstallaties van vliegvelden het maar half te doen. De passagierslijst is slordig, wordt zomaar plompverloren tegen een raam geplakt. En dagenlang weet niemand waar het toestel is.

De vicepresident van het land komt een kijkje nemen en kondigt forse dingen aan. De angstige nabestaanden zelf bidden of slachten hier en daar een koe om geesten gunstig te stemmen en de eerste astrologen en soortgelijke types komen tevoorschijn in Makassar.

Het vliegtuigongeluk en een bootramp twee dagen tevoren (meer dan 400 doden) met de dramatische overlevingsdrang van 245 passagiers in de Javazee en de klungelige reddingsoperatie, knipperden even op het radarscherm van de internationale belangstelling.

Dit is regentijd in Indonesië. Het betekent dat er wekelijks doden vallen door overstromingen en modderlawines – vooral op Java en Sumatra. Soms zijn het enkele doden, soms tientallen, een enkele keer honderden en dan haalt het wederom het internationale nieuws.

De modderdrama’s vormen de keerzijde van de eindeloze bosbranden tussen augustus en november, in de droge tijd. Ze bedekken delen van Sumatra, van Kalimantan, Singapore, Brunei en Maleisië soms wekenlang onder een dikke laag rook. Vliegvelden gaan dicht, miljoenen mensen krijgen ademhalingsmoeilijkheden.

Maar dat niet alleen: de branden maken van Indonesië het derde land in de wereld – na de VS en China – als het gaat om broeikasgassen en vernietiging van de ozonlaag. Het derde land ter wereld als vervuiler, terwijl de hele economische activiteit van het land (240 miljoen inwoners) nota bene nog niet eens de helft van die van Nederland betreft.

De oorzaak ook hier – een dramatisch tekort aan verantwoordelijkheid onder de elite, gekoppeld aan armoede en corruptie. Op grote schaal worden bossen gekapt, vallen gebieden droog en helpen boeren en malafide bedrijven de ontbossing nog een handje door de zaak in brand te steken.

Op een reis door Kalimantan wees een medewerkster van het Wereld Natuur Fonds op „illegaal aangelegde kanalen” voor de afvoer van het hout. Dave Currey, directeur van Environmental Investigation Agency, schat dat bijna zeventig procent van het hout illegaal wordt gekapt. Maar wat betekent het woord ‘illegaal’ nog wanneer het een dergelijke omvang heeft?

In zekere zin is hier veel eerder sprake van een falende staat, machteloos tegenover allerlei organisaties en praktijken om ook maar enige regie te voeren. Op een congres dat de milieuorganisatie een tijdje geleden in Jakarta hield, werd, zonder namen te noemen, ook gewezen op de betrokkenheid van het leger bij deze praktijken. Feit is dat de defensiebegroting van het land nog altijd voor tweederde buiten het zicht van de minister van Defensie blijft, omdat het om eigen economische activiteiten van het leger gaat.

Tegenover deze werkelijkheid staat de schijnwerkelijkheid van Jakarta. Het is een wereld op zichzelf, met elf miljoen inwoners en bijna twintig procent van het bruto nationaal product. Het is ook de wereld van de politieke klasse, die acteert alsof zij zaken onder controle heeft.

De president of een verantwoordelijke minister kondigt bij elke ramp probleemloos allerlei kordate maatregelen en nieuwe wetten aan. In het geval van de jaarlijkse bosbranden gewoon elk jaar opnieuw. De president heeft bij dit alles één pluspunt om de boel bij elkaar te houden: wat er ook gebeurt, hij blijft altijd de rust zelve.

Maar confrontatie met de werkelijkheid van machteloosheid en corruptie blijkt lastig. Het raakt de gevoelige snaar van de trots, het prestige. De regionale organisatie van Zuidoost-Aziatische landen, ASEAN, zet de branden regelmatig op de agenda en dat is logisch want ze hebben er ernstig onder te lijden. Indonesië weet het onderwerp er altijd tijdig weer af te halen, want zoveel inmenging gaat te ver en is ontmaskerend.

En dan is er naast de onmacht de verleiding. Een paar maanden geleden kwam een Chinese delegatie ineens voor een haastklus bij president Yudhoyono op bezoek. Ze hadden dringend voor 1 miljard dollar merbau nodig – dat is prachtig hardhout uit Papoea – om de vloeren van alle Olympische gebouwen voor volgend jaar chique en prestigieus te bekleden. De wereld kijkt immers zomer 2008 naarBeijing en dat visitekaartje vermag geen compromis, laat staan kliklaminaat. De deal werd ter plekke gesloten – in elk geval was het niet illegaal, maar desalniettemin volgens diverse milieuorganisaties onverantwoord.

Indonesië treft het niet met 155 actieve vulkanen en een geologie die niet alleen voor veel grondstoffen, maar ook voor veel aardbevingen zorgt. Eergisteren trouwens nog.

Maar er is ook veel mensenwerk. Vergeleken met de rest van Zuidoost-Azië raakt Indonesië verder achterop. Het is naar een oude wijsheid misschien dan wel te groot om écht te falen, maar helaas ook te rommelig om te slagen.

    • Ben Knapen