Nomade met eigen huis

De toekomst voorspellen blijft moeilijk. Tien jaar geleden, toen internet nog in de kinderschoenen stond, geloofden velen dat het wereldwijde netwerk het belang van de woonplek minder belangrijk zou maken.

Steeds meer mensen zouden kunnen gaan wonen waar ze maar wilden, zo legden bijvoorbeeld verschillende auteurs uit in het boekje Leefstijlen. Wonen in de 21e eeuw in 1997.

Internet zou thuis werken en thuis leren mogelijk maken, zodat velen niet meer dichtbij het werk of de school hoefden te wonen. Sommige voorspellers, zoals Carel Weeber, de profeet van het Wilde Wonen, verwachtte ook dat het thuiswerken de files zou doen afnemen.

Het tweede verschijnsel dat het belang van de woonplek zou doen afnemen, was de toenemende flexibilisering van arbeid. Tien jaar geleden al leek het onvermijdelijk dat aan de verzorgingsstaat en de hierbij horende vérgaande bescherming van arbeid weldra een einde zou komen. Hierdoor zouden ook veel Nederlanders in de toekomst worden gedwongen hun werk achterna te reizen. Zij zouden de nieuwe ‘nomades in mobil homes’ worden.

Nu, in 2007, moet worden vastgesteld dat deze toekomstverwachtingen niet echt zijn uitgekomen. Of preciezer gezegd: ze zijn op een heel andere manier dan verwacht uitgekomen. De files zijn zelfs in de achterliggende jaren van economische stagnatie blijven groeien en zijn nu langer dan ooit. Blijkbaar heeft het thuiswerken via internet geen hoge vlucht genomen. En niet Nederlanders, maar Polen zijn de nieuwe nomaden. Echte nomaden zijn ze overigens niet: ze zijn niet van plan voor altijd rond te blijven zwerven, maar keren terug naar het geliefde Polen zodra ze genoeg geld hebben.

De meeste Nederlanders willen nog altijd niet te ver van hun werk wonen, het liefst in een veilige buurt. De woonplek blijft belangrijk: de achterdeur op de Veluwe, de voordeur van de Dam, zo luidt het woonideaal van veel Nederlanders.

Tegelijkertijd is de Nederlander de afgelopen jaren wel steeds mobieler geworden. Files op zondag zijn allang niet meer uitzonderlijk. Niet alleen het woon-werk-verkeer is de afgelopen jaren fors toegenomen, maar ook het gebruik van de auto om de kinderen naar school te brengen, boodschappen te doen en pretparken, binnensteden en schoonouders te bezoeken. In het begin van de 21ste eeuw koppelt de Nederlander zijn verlangen naar een veilig jaren-dertig-huis op een gunstige plek aan een hypermobiel bestaan, met een weekje Thailand als tussendoortje. Hij is een nomade met onroerend goed.

In het internettijdperk lijkt de woon- of vestigingsplek zelfs alleen maar belangrijker te worden. Zelfs multinationals, toch het soort bedrijven waarvan je zou verwachten dat internet hun onverschilligheid tegenover de vestigingsplaats zou versterken, blijken steeds gevoeliger voor de plek waar hun hoofdkantoor staat.

Eerst vertrokken de hoogste bazen van Philips van Eindhoven naar Amsterdam, vorig jaar verruilde de Ahold-top Zaandam voor Amsterdam en onlangs kondigde Akzo Nobel aan dat het hoofdkantoor van Arnhem naar Amsterdam wordt verplaatst.

De argumenten voor de verhuizing zijn steeds dezelfde: Amsterdam biedt snelle, internationale vliegverbindingen, het is de stad waar kosmopolitische topmanagers zich thuis voelen en maakt op briefpapier meer indruk op buitenlanders dan de Nederlandse provincieplaatsen. Place matters, juist in de 21ste eeuw.

Bernard Hulsman