Laat overheden nu eens komen met beperkingen voor CO 2

Het bedrijfsleven is zeker bereid om het CO2-probleem aan te pakken. Maar het heeft dringend behoefte aan de dwingende kaders van de overheid. De Europese Unie stelt wel ambitieuze doelen, maar laat de normen en regels over aan de lidstaten. Ook is er nauwelijks samenwerking tussen overheid en het bedrijfsleven voor terugpompen van CO2 in de bodem, vindt Jeroen van der Veer.

Een doeltreffende aanpak van de uitstoot van kooldioxide (CO2) vereist een systematische benadering. De behoefte aan energie blijft stijgen – net zoals er een toenemende behoefte bestaat om de ongewenste milieueffecten van het gebruik van energie te verminderen. Overheden spelen hierbij een fundamentele rol.

Om de markt haar werk te laten doen, hebben wij – paradoxaal genoeg – meer regelgeving nodig. Overheden dienen dringend met maatregelen te komen voor een lagere CO2-uitstoot. Die maatregelen moeten niet alleen de investeringen in nieuwe technologieën bevorderen, maar ook de verduurzaming van energie.

Het nieuwe energiebeleid zoals dat door de Europese Unie wordt voorgesteld, stelt ambitieuze doelen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. De ervaring leert echter dat agressieve doelstellingen weinig betekenen, zolang de EU-lidstaten zelf niet voor prikkels en regels zorgen die die doelstellingen haalbaar maken. Het beleid moet de zoektocht naar oplossingen voor het CO2-probleem en naar ‘groenere’ fossiele brandstoffen verder opvoeren.

Zulk beleid valt in twee delen uiteen: normen en marktmechanismen. Beide zijn nodig voor innovatie en technologieontwikkeling. In de praktijk blijkt dat het stellen van normen, die binnen tien jaar in werking moeten treden, de komst van nieuwe technologie kan versnellen.

Eén benadering zou kunnen zijn om de maatregelen voor energie-efficiency aan te scherpen: van gebouwen tot huishoudelijke apparatuur. Dat zou helpen om tot energiezuinigheid aan te sporen. Japan, dat al sinds de oliecrisis van de jaren ’70 via uiteenlopende maatregelen energiebesparing bevordert, vormt hiervan een goed voorbeeld. Volgens de International Energy Agency (IEA) verbruikte Japan in 2004 het energie-equivalent van 2,8 ton olie per persoon, tegen 5,4 ton per persoon in de Verenigde Staten.

Beleidsmakers over de hele wereld zouden meer gebruik moeten maken van flexibele marktmechanismen, zoals het aftoppen van CO2-emissies en handel in emissiekredieten, zoals die sinds 2005 onder het EU-systeem plaatsvindt. Hoewel die Europese CO2-markt een goed begin is, dient de emissiehandel mondiaal te worden om echt effectief te zijn. Pas als door wijdverbreide emissiehandel de kosten van CO2-uitstoot duidelijk zijn komen vast te staan, zullen bedrijven die kosten routinematig opnemen in hun berekeningen voor grote investeringen, zoals elektriciteitscentrales en raffinaderijen, die vaak een levensduur van 30 jaar of meer hebben.

Overheid en bedrijfsleven kunnen bij grootschalige projecten partnerships aangaan om CO2 uit bronnen zoals elektriciteitscentrales af te vangen en op te slaan. Elektriciteitsopwekking vormt zelfs een van de beste mogelijkheden om de emissies te beperken. Volgens het IEA is elektriciteitsopwekking verantwoordelijk voor 41 procent van de wereldwijde CO2-emissie die verband houdt met energieopwekking. In 2030 zou dat tot 44 procent kunnen zijn gestegen, naarmate elektriciteit een groter aandeel van het energieverbruik voor haar rekening neemt.

In tegenstelling tot transportmiddelen staan elektriciteitscentrales op vaste plaatsen. Dit maakt het makkelijker om de kooldioxide die zij uitstoten, af te vangen. De technologie om die CO2 vervolgens in de bodem te injecteren, waar het veilig kan worden opgeslagen, bestaat nu al. Shell en andere oliemaatschappijen injecteren al decennialang uit de aarde zelf afkomstig CO2 in olieputten om meer ruwe olie naar boven te kunnen pompen.

Momenteel werken wij aan een project met Statoil en de Noorse overheid (geen EU-lid) om CO2 uit een elektriciteitscentrale aan de Noorse kust af te vangen en die in olieputten in de Noordzee te injecteren. Andere opties, zoals CO2-opslag in uitgestrekte ondergrondse zoutwaterreservoirs, zijn eveneens veelbelovend.

Onder het huidige Europese systeem voor CO2-emissiehandel kunnen bedrijven de initiatieven voor het afvangen en opslaan van CO2 niet in mindering brengen op hun emissies. Dat moet veranderen. Daarnaast kan gemeenschapsgeld worden gebruikt om deze technologie sneller levensvatbaar te maken. Als een nauwere samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven uitblijft, zijn er weinig prikkels om projecten te ondernemen. In de praktijk zal het afvangen van CO2 zich waarschijnlijk in een te laag tempo ontwikkelen.

Biobrandstoffen die van planten en organisch afval zijn gemaakt, hebben eveneens het potentieel om de emissies te verlagen, met name bij het transport. Veel van die brandstoffen worden echter nog gemaakt uit voedselgewassen zoals maïs en suikerriet, waarvan de productie veel energie vergt. Hoewel deze biobrandstoffen de emissies kunnen terugdringen, kunnen biobrandstoffen van de tweede generatie, die niet uit voedselbronnen zijn gemaakt, nog verdere dalingen mogelijk maken. Bij Shell richten wij ons op biobrandstoffen van de tweede of zelfs de derde generatie, waarbij meer liters uit minder hectares worden gehaald. Regelgeving ter bevordering van biobrandstoffen moet die brandstoffen belonen die de grootste CO2-vermindering opleveren en de kosten verlagen.

De verbeteringen van Shell op het gebied van efficiënt energiegebruik leveren nu al circa 1 miljoen ton per jaar aan CO2-vermindering op. Wij zijn al een van ’s werelds grootste distributeurs van biobrandstoffen. Sinds 2000 hebben wij meer dan 1 miljard dollar geïnvesteerd in alternatieve energiebronnen, zoals wind en zon.

Maar er is geen enkele onderneming die het probleem van klimaatverandering alleen kan aanpakken. Als overheden een robuust wettelijk kader verschaffen, dan kunnen bedrijven beter helpen om ‘de aanval op CO2 te openen’. Omgekeerd, als die overheden zich niet van hun taak kwijten, mag de samenleving niet verwachten dat het bedrijfsleven het in zijn eentje zal klaren.

Jeroen van der Veer is Chief Executive van Royal Dutch Shell. Dit artikel verscheen vandaag in de Financial Times.