Ideoloog, stripfiguur, losbol

Damon Albarn is de losbollige zanger van Blur en virtueel in stripband Gorillaz.

Zijn nieuwe idiologische project heet: The Good, The Bad & The Queen.

Damon Albarn in een van zijn rollen als zanger van de band The Good, The Bad and The Queen. Foto Damon Albarn of The Good, The Bad and The Queen performs during the inaugural BBC Electric Proms season at the Roundhouse in north London. BrunoPress / EMPics

Van de Britse popsterren die zich sterk maken voor maatschappelijke kwesties is Damon Albarn een van de minder bekenden. Toch was het Albarn die een paar jaar geleden samen met Thom Yorke een demonstratie in Londen tegen de – toen nog – voorgenomen oorlog in Irak op touw zette. Albarn was eerder ook naar Afrika geweest, voor een deels muzikaal, deels maatschappelijk project met traditionele muzikanten uit Mali, wat leidde tot de cd Mali Music (2002).

Maar Damon Albarn kun je ook kennen als de losbollige zanger van Blur, die midden jaren negentig met de Oasis-broers streed om de status van grootste ‘Britpop-ster’. Of als een van de leden van Gorillaz, zijn band met tekenaar Jamie Hewlett, en producer Dan The Automator, die de afgelopen jaren grote hits had met nummers als Clint Eastwood en Feel Good Inc. Gorillaz had een popprimeur als eerste ‘virtuele band’. De leden, zoals we ze te zien krijgen in clips en op foto’s, zijn getekende stripfiguurtjes. Een tournee met ‘holografische show’ is gepland, maar wegens te hoge kosten voorlopig niet gerealiseerd.

En ondertussen vond Damon Albarn tijd voor nog een band. Dat nieuwe project heet The Good, The Bad & The Queen en daarin speelt hij samen met bassist Paul Simonon (ooit van The Clash), Simon Tong (vroeger gitarist bij The Verve), Tony Allen (onder meer bekend als drummer van Fela Kuti). De aanwezigheid van Simonon geeft een ideologische richting aan.

Het titelloze debuut van GB&Q verwijst namelijk in meer opzichten naar Simonons verleden, om precies te zijn naar de Clash-cd Sandinista, uit 1980. De maatschappelijke betrokkenheid van de teksten op Sandinista – bij de vrijheidsstrijd in Nicaragua, rassenonlusten in Brixton –, is op deze cd terug te horen in teksten over de hopeloze oorlog in Irak en de in de ogen van Albarn droevige toestand van het Britse eiland als geheel; het Kingdom Of Doom, zoals de nieuwe single heet. Albarn zingt gelaten: „Drink all day/ coz the country is at war/ soon you be falling of the palace walls.” Maar ook muzikaal zijn er overeenkomsten: in de losse stijl van de nummers, die zwerven van reggae naar atmosferisch, van ‘doem-achtig’ naar lichtvoetig.

Ook uiterlijk is Albarn serieuzer: geen stripfiguren (Gorillaz) of kostschooljongensstijl (Blur), Damon&co, in hun zwarte versleten pakken, zien er uit als Dickensiaanse zwervers.

Het is voor het eerst dat Paul Simonon zich weer liet verleiden tot muziek maken. Sinds het uiteenvallen van The Clash, midden jaren tachtig, wilde Simonon niets met muziek te maken hebben. Hij werd schilder en distantieerde zich van zijn eerdere carrière, omdat hij, naar eigen zeggen, niet door het leven wilde gaan als muzikant-die-ook-nog-wat-schildert. Tot Albarn belde. Simonon was een fan van Gorillaz, en wilde wel een keer komen oefenen.

Volgens Albarn, van jongs af aan een Clash-adept, waren die eerste ontmoetingen ‘zenuwslopend’. „Simonon haalde zijn basgitaar uit zijn tas. En het was zijn oude Clash-gitaar, met ‘Paul’ erin gekrast. Iedereen die op bezoek kwam in de studio wees ik er op, en dan zei ik: „Kijk, hij is het echt!”

De titelloze debuut-cd van The Good, The Bad & The Queen is verschenen bij EMI.