Het kunstwerk als getal

Zondagmorgen spreekt de Amsterdamse informaticus prof. dr. Pieter Adriaans over de informatica van de esthetiek.

In Picasso’s Guernica zit minder informatie dan in de drippings van Jackson Pollock, maar veel meer dan in het Zwarte Vierkant van Malewicz. Wat zegt dat over deze kunstenaars? Waarom houdt ons brein van symmetrie en zich herhalende patronen? Waarom zal een interessant kunstwerk altijd voor een deel ons begrip te boven gaan?

Zulke vragen fascineren kunstenaar en informaticus Pieter Adriaans, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. „Goede kunst bestaat bij de gratie van spanning”, zegt Adriaans. „Spanning tussen orde en chaos, tussen traditie en vernieuwing, tussen verveling en ruis.” Aan de hand van nieuwe resultaten uit de complexiteitstheorie probeert Adriaans om zulke conflicten in kunstwerken en artistieke processen te doorgronden. Er is een wiskunde van het doorbreken van regels.

U laat de computer meer of minder interessante plaatjes selecteren?

„Ja, het idee is dat ons brein van plaatjes met een zeker evenwicht tussen orde of organisatie en chaos of entropie houdt. Via standaard compressietechnieken kun je een soort feitelijkheidsscore berekenen: 0 betekent niet interessant, 1 maximaal interessant. De computer blijkt Picasso’s Guernica erg interessant te vinden. Met de drippings van Pollock – met al die spaghettislierten van woest druipende verf, die zowat koken van chaos – kan hij wat minder. En het Zwarte Vierkant van Malewicz boeit hem helemaal niet.”

Niet boeiend, maar wél baanbrekend?

„Het Zwarte Vierkant was in 1915 zonder meer baanbrekend, maar het is geen plaatje waar je dagenlang gefascineerd naar zit te kijken. En uiteraard is Pollock buitengewoon interessant, alleen al omdat hij een nieuwe schildertechniek bedacht, met een druipende verfpot. Maar die doeken zijn haast niet uit elkaar te houden. Mensen hebben het altijd over ‘de drippings’ van Pollock. Je hoort zelden iemand zeggen dat hij nou juist dát werk zo mooi vindt. Er zit zóveel structuur in dat wij daar moeite mee hebben.”

Verandert die score mét de ontwikkeling van de kunstenaar?

„Bij Pollock loopt hij duidelijk op, dat werk wordt steeds complexer. Elk kunstwerk zit in een conceptuele ruimte. De kunstenaar heeft bepaalde mogelijkheden om de beschikbare regels te doorbreken. Opmerkelijk is dat als een kunstvorm in crisis komt, zoals de schilderskunst begin twintigste eeuw, dat juist dan kunstenaars objecten gaan maken met heel hoge of juist heel lage complexiteit. Daarmee veroveren ze nieuwe ruimte.”

Had Mozart de twaalftoonstechniek kunnen uitvinden?

„Hij was daarvoor ongetwijfeld intelligent genoeg, maar hij voelde de noodzaak niet. Hij had nog volop ruimte binnen de klassieke harmonieleer te verkennen. Kunstenaars gaan pas iets nieuws doen als het publiek het bestaande saai begint te vinden. Maar het publiek vond Mozart nog niet saai. Als Mozart was gaan componeren zoals Wagner, zou hij nog veel armer gestorven zijn. Pollock had bij zijn dood 350 dollar op zijn bankrekening staan.”

De lezing vindt zondagmorgen om 11 uur plaats in Paradiso, Weteringschans 6 te Amsterdam, 8,50 euro.

    • Marion de Boo