Hellup, me studente kenne nie spellûh!

Al jaren houdt een docente Italiaans aan de Universiteit van Amsterdam de taalfouten van haar studenten bij.

Conclusie: ze beheersen het Nederlands steeds slechter. Maar het is niet hun schuld.

Zowel in de krant (NRC Handelsblad, 13 januari) als in het achtuurjournaal (16 januari) is weer volop geklaagd over het Nederlands van hoogopgeleide jongeren. Blijkbaar is dat groot nieuws. Voor mij is het oude koek. Ik kijk namelijk sinds de prehistorie leestentamens van eerstejaars hoofd- en bijvakstudenten na, in mijn hoedanigheid van lesboerin Italiaanse taalverwerving aan de Universiteit van Amsterdam. Zodoende heb ik aardig zicht op het taalgebruik van de moderne rond-de-twintiger. En inderdaad: het is bar en boos. Ter illustratie een microgreepje uit mijn sinds 2004 bijgehouden waslijsten.

Was het tot een paar jaar geleden een enkeling die de d/t-regel niet kende, tegenwoordig hebben vrijwel alle studenten daar moeite mee en schrijven rustig zij verteld, er is gezegt of hij vondt. Groot is ook het aantal studenten dat ‘gewoon’ niet kan spellen, zoals begravenis, bondjas, satteliet of allebij bewijzen. Het schokkendst vind ik evenwel de baarlijke nonsens die wordt opgeschreven. Omdat studenten geen steun meer hebben aan andere talen en ook het woordenboek hun weinig biedt, gokken ze maar wat. Zo maken ze van het Italiaanse elettrodomestico (huishoudelijk apparaat) probleemloos electrisch huisdier. De winnaar van de Wartaal-2006-prijs is nog niet bekend, maar hoge ogen gooit de student(e) die de vraag ‘Hoe wordt de ontspannen sfeer die het boek ademt verklaard?’ als volgt beantwoordde: „Dat de levenservaring meer bevredigend en ontspannen is zowel voor degene die vrij is deel te nemen als hobby aan datgene de andere doen voor werk.”

Hoe kan de kennis van de taal nu zo zijn afgenomen dat zelfs het journaal er melding van maakt? Daar zijn vele oorzaken voor, waaronder de eindeloze hervormingen van het lager en middelbaar onderwijs. Ook het feit dat de modale onderwijzer op nota bene de basisschool zelf weinig van het Nederlands bakt, speelt natuurlijk een rol. Daarnaast is er de verschuiving van de aandacht in het voortgezet onderwijs: van correct naar creatief taalgebruik. Inhoud is daarbij belangrijker dan vorm en komunekaatsie het nieuwe toverwoord. Daar kwam het studiehuis nog eens overheen. En veel e-mailen uiteraard.

Pas nu wordt er alarm geslagen. Daarbij wordt de schuld van de taalproblemen ten onrechte bij de studenten zélf gelegd. Als noodoplossing komt een aantal universiteiten en hogescholen met bijspijkercursussen Nederlands aanzetten. Een fraai voorbeeld van het paard achter de wagen spannen: geen bijspijkeren zonder voorafgaand spijkeren immers?

Bovendien, een knappe docent die met één cursus tien jaar taalverwaarlozing weg weet te werken. Wat dan wel? Politici en bestuurders komen meestal aanzetten met ‘meer geld naar het onderwijs’. In de praktijk betekent dat meer geld voor de directie en een lik verf voor het schoolgebouw. Voor de rest blijft alles bij het oude. Bij het oude? Als dat zou kunnen!

Sophie J. M. Josephus Jitta is docente Italiaanse taalverwerving aan de Universiteit van Amsterdam.

De Praktijk is een rubriek over de actualiteit met een persoonlijke toon. Stuur uw bijdrage naar opinext@nrc.nl