Denkfouten blokkeren hervorming overheid

In strijd met alle ambities groeide de overheid de afgelopen vier jaar. Dat komt door het hanteren van verkeerde theorieën, schrijft de Raad van Economisch Adviseurs.

Bij iedere kabinetsformatie zingen politici hetzelfde liedje: de overheid moet slagvaardiger, het beleid moet beter, de bureaucratie en de regelzucht moeten minder, de overheid moet daadkrachtig zijn.

Ook nu weer buitelen de politieke partijen over elkaar heen met voorstellen om het aantal ambtenaren terug te dringen en de administratieve lastendruk te verminderen. En zonder twijfel zal het komende regeerakkoord bol staan van de goede voornemens.

Maar, stelt de Raad van Economisch Adviseurs (REA) van de Tweede Kamer in een vanochtend verschenen advies (Lof der eenvoud) over de efficiëntie van de overheid, die voornemens blijven altijd steken in goede bedoelingen. Na stapels rapporten en een carrousel van reorganisaties wil het maar niet lukken om van de overheid een hoogwaardige, efficiënte publieke sector te maken.

Dat komt, aldus de REA (bestaande uit de hoogleraren Koedijk, Buiter, Eijffinger, Hartog, Van Witteloostuijn en raadssecretaris Van Dalen), omdat bij de hervormingsdrang van de afgelopen jaren de foute managementstheorieën zijn gehanteerd. Bovendien wint de drang om nieuw beleid te beginnen het steevast van aandacht voor de uitvoering van bestaand beleid en is de Tweede Kamer niet in staat om een tegenwicht te bieden aan de overmacht van het overheidsapparaat. Daardoor verliest de Kamer zich, aldus de economen, te vaak in irrelevantie, terwijl het zicht op het geheel ontbreekt.

De REA beklemtoont zowel de onderscheidende positie van de overheid in vergelijking met het bedrijfsleven als de beperktheid van het overheidshandelen. „Niet elk overheidsfalen valt te corrigeren met het introduceren van marktwerking en de logica van het bedrijfsleven. Wat bureaucratieën kunnen bereiken is aan grenzen gebonden.”

Tegelijkertijd, stelt de REA vast, weet de overheid zelf niet wat ze doet, wie verantwoordelijk is en hoe groot ze is. Dit maakt de overheid zo ongrijpbaar. Daarnaast is de introductie van „principes van de markt binnen de muren van de overheid” op foute uitgangspunten gebaseerd. De overheid ís geen bv, overheidspersoneel reageert anders op prikkels en marktprincipes werken averechts op de publieke dienstbaarheid. De verheffing van procesmanagement, managerroulatie en prestatiecontracten zijn „desastreus” geweest.

„Nog afgezien van de dubieuze effectiviteit van veel moderne managementpraktijken in het bedrijfsleven zelf, is het evident dat het publieke domein zoveel afwijkt van de private sector, dat het klakkeloos overhevelen van praktijken veelal contraproductief is.”

De REA wijst op het verlies aan professionaliteit van ambtenaren en de onderschikking van vakbekwaamheid aan inhoudsloze managementprincipes. „In de ambtelijke dienst is inhoudelijke vakkennis gereduceerd ten gunste van kennis van procesmatig management en financieel beheer.”

De overheid, aldus de economen, moet afbakenen op welke terreinen zij een „comparatief voordeel heeft ten opzichte van de markt” en erkennen dat de productiviteit van bureaucratieën aan grenzen gebonden is, omdat het „per definitie complexe producten of diensten betreft”, waarbij het streven naar winst „als kiespijn gemist kan worden”. Daarnaast moet de overheid taken afstoten die juist wel beter aan marktpartijen overgelaten kunnen worden.

Het parlement staat bij zijn controlerende taak op het functioneren van de overheid goeddeels buitenspel. De Kamer „blinkt uit in het stellen van veel vragen, die (veelal) voortkomen uit een mengsel van onzekerheid en de complexiteit van de problemen”.

De REA stelt voor dat de Kamer opgetuigd wordt met een volwaardig eigen parlementair onderzoeksbureau, naar het voorbeeld van het Amerikaanse Congressional Budget Office. Bovendien zou de Grondwet gewijzigd moeten worden zodat de Kamer niet langer onder het ministerie van Binnenlandse Zaken valt, maar budgettaire zelfstandigheid krijgt.

Tot slot, aldus de REA, dienen bij nieuw beleid eenvoud en balans doorslaggevend zijn.

    • Roel Janssen