De Pers

De ijzeren standaards gapen me leeg aan. Om elf uur ’s morgens is De Pers al niet meer te krijgen op het Centraal Station van Amsterdam. Dat zijn dingen die ik als amateur-zakenman maar niet kan begrijpen. Waarom geen torenhoge stapels? Een krant wordt net als mens en dier maar één keer geboren.

Ik loop willekeurige, stilstaande treinen binnen om een losliggend exemplaar te scoren. In de derde trein heb ik beet. Maar wat als hij intussen vertrekt ? Ik heb vergeten te kijken op het vertrekbord. Zou het helpen als ik de conducteur als alibi voor een ontbrekend kaartje voorhoud: „Ik was op zoek naar De Pers?”

Hijgend sta ik weer buiten en zoek meteen een bankje op. Altijd een moment van grote nieuwsgierigheid: een nieuwe krant. Hoe hebben de collega’s het er vanaf gebracht? Zullen ze het redden? Worden ze een gevaar? Ja, die vraag hoort er in een kapitalistische wereld ook bij.

Vijf positieve punten om mee te beginnen.

1. De naam blijft een vondst. De Pers. Zo simpel, zo helder. Ik moet denken aan de naam van die oostelijke krant waar ik maar nooit aan kan wennen: de Stentor. Hoe lang zou daar niet over vergaderd zijn? Pseudoniemenboeken en woordenboeken erbij. Jongens, de Stentor! Wat betekent dat ook weer precies, vraagt iemand zachtjes, een soort tor op de Veluwe? Niemand luistert naar hem. De naam De Pers heeft voor mij maar één nadeel, nooit meer kan ik zeggen: „Ik ben van de pers.”

2. De column van Maarten van Rossem. Kort na ‘11 september’ werd hij door de Volkskrant tot mijn ontsteltenis afgedankt, men vond hem te relativerend, hoewel relativering juist in de periode daarna zo nodig was.

3. De column van Hans Wiegel, althans, déze column, waarin hij de formatiepartners zó’n faire kans geeft – „Zo’n kabinet hoeft geen ramp voor het land (en dus een feest voor de oppositie) te zijn” – dat ze in de top van de VVD zullen blozen van boosheid.

4. De wil om min of meer eigen nieuws te brengen. Dat levert een grondig verhaal over mogelijke fraude bij het Leger des Heils op. Zou het? Niemand is heilig. Ik herinner me van 25 jaar geleden een vernietigende reportage over het Leger des Heils door Tessel Pollmann in Vrij Nederland.

5. De rustige, van sensatielust gespeende toon in de hele krant.

Drie negatieve punten om mee te eindigen.

1. De krant oogt nogal bleekjes. Niets van de visuele smakelijkheid van Het Parool en nrc.next.

2. De Pers wil ‘een optimistische krant’ zijn. Dat is natuurlijk onzin. Ooit van optimistisch nieuws gehoord? Vraag het eens aan Abbé Pierre, de bijna negentig doden in Bagdad en Hrant Dink – om ons tot dit eerste nummer te beperken.

3. De servicepagina is wel erg mager.

Alles bij elkaar: toch knap om in vijftien weken zo’n serieuze krant te maken. Of hij als gratis kwaliteitskrant inderdaad een gevaar voor de bestaande kranten vormt? Voor de losse verkoop van de ochtendbladen zeker, verder moet ik het nog zien. De Pers zal tijd nodig hebben om een eigen gezicht te ontwikkelen, en ondertussen slaapt de concurrent niet, althans, dat mogen we toch verwachten van PCM met zo’n leuke, nieuwe baas?