Vrede op kousevoeten

Drie van de vijf Nederlandse militairen die vorige week vrijdag gewond raakten bij een zelfmoordaanslag in de buurt van de patrouillebasis Poentjak in Uruzgan zijn gisteren in Nederland teruggekomen.

Twee korporaals, 21 en 22 jaar oud, en een 21-jarige soldaat. Ze liggen in het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht, lezen heerlijk een krantje, kijken heerlijk naar de televisie, ontvangen heerlijk hun geliefden (die stiekem de deur op slot doen en dan dicht tegen hen aan kruipen – o liefje wat ben ik blij dat je thuis bent, ga nooit meer weg, blijf voor altijd bij mij), af en toe moeten ze een tante troosten, die met de hand nog aan de deurklink al in tranen uitbarstte, en ’s nachts, in de stilte tussen het sporadisch kuchen uit de andere kamers, waar hun maten de slaap ook niet kunnen vatten, gaan hun gedachten terug naar afgelopen vrijdag.

Een uur of twee in de middag. We rijden met twee wagens in de omgeving van Poentjak, nabij de Baluchi-pas. In Poentjak hebben we nog een kop thee gedronken in de ontvangstkamer voor de Afghanen. Veel dekking heb je daar niet, daar op die heuveltop, in dat huis van modder. Maar kolonel Vleugels wil het zo. Geen prikkeldraad, geen geweren in de aanslag, geen scherfvesten aan. En we mogen de helft van de tijd ook geen helm op, om de lokalen niet af te schrikken. Een schaatser die zonder schaatsen het ijs op moet. God, wat heb ik zin om te schaatsen. Wel lekkere noten en gedroogde abrikozen en pruimen in Poentjak, dat moet je die Vleugels nageven. Maar die helm, die heb ik liever op. Hij heeft wel een punt, ok, we komen vrede brengen met een helm of een gasmasker op. En van die grote schoenen. En daar hebben we dan net een deur mee ingetrapt, de enige houten deur van het dorp. Hoe komen ze aan dat hout eigenlijk? Er staat nergens een boom. Ze hebben alleen maar zand. Ik heb één boom gezien, en daar hing iemand aan. Daar sta je, gebogen in zo’n hut, twee keer zo groot en dik en zij met een uitgemergelde geit, een kale kip, een mand vol pruimen met vliegen erop en ergens in een gat onder de grond, en je weet dat het zo is en toch blijf je vriendelijk lachen: een geweer, en dan kom je vrede brengen. En dan gooit er een straaljager een bom van vijfhonderd kilo op een lemen hut in een dorp even verderop waar zijn neef woont. En dan kom je vrede brengen. En dan loop je naar buiten en de heuvel op en je rupsvoertuig in en elke keer weet je dat de tali’s aan de andere kant alweer het dorp in kruipen, als eb en vloed.

We stonden met z’n vieren in een pantserrupsvoertuig, door het open dak, zoals kolonel Vleugels dat het liefst ziet, om de mensen geen angst aan te jagen. Achter ons een bewapende jeep. Er komt een witte personenauto aan. Een flits. De explosie is oorverdovend, maar ik leef nog. Van alle kanten wordt opeens geschoten, het is een hinderlaag. Ze schieten totdat de Apache ze wegveegt. Goddank de Apaches. Ik heb pijn aan mijn gezicht en zie niets meer. Ik word opgepakt. Iemand zegt ‘alles komt goed jongen.’

’s Ochtends wordt hij gewekt door een zuster met boterhammen en pure chocoladehagelslag en pindakaas en een hard ei en een wit pakje aan waardoor hij, als ze de kamer uitloopt en hij eindelijk durft te gluren, duidelijk de contouren van haar bh en onderbroekje ziet en verheugd beseft dat zijn ogen het nog doen. Welkom terug, korporaal.

    • Beau van Erven Dorens