Sterrenstatus Freedom House omstreden

Al vinden velen Freedom House erg Amerikaans, zijn vrijheidsindex is befaamd.

Deel 2 van een korte serie over internationale orga-nisaties voor democratieen mensenrechten.

„Klein lettertype en geen plaatjes”, grapte George W. Bush, toen hem afgelopen zomer in Washington naar de Freedom in the World Survey van mensenrechtenorganisatie Freedom House werd gevraagd. De vuistdikke publicatie verschijnt deze maand voor de 34ste keer.

Zoals ieder jaar worden hierin de politieke en burgerrechten in elk land beschreven en beoordeeld met cijfers van 1 (democratisch en vrij) tot 7 (tirannieke dictatuur). De index is „de Michelingids voor democratisering”, aldus The Wall Street Journal.

De Amerikaanse president kan zich troosten met één illustratie: een driekleurige wereldkaart, met daarop groene ‘vrije’ landen (rapportcijfer 1-2), paarse ‘onvrije’ landen (cijfer 6-7) en gele landen, die middelmatig scoren.

Het Millennium Challenge Corporation, het Amerikaanse federale agentschap dat elk jaar vijf miljard dollar verdeelt over verschillende democratiseringsprogramma’s in de wereld, gebruikt de index om te bepalen waar het geld het best besteed kan worden.

De politieke rechten in de index worden beoordeeld aan de mate waarin een individu „zinvol kan deelnemen aan het politieke proces”. Worden er in een land regelmatig verkiezingen gehouden, hoeveel oppositiepartijen zijn er en hoe eerlijk wordt er campagne gevoerd? De burgervrijheid meet Freedom House met indicatoren als vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om te kunnen reizen en het recht op onderwijs.

André Gerrits, die aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek doet naar democratisering in Oost-Europa, noemt de publicatie van Freedom House nuttig, maar de indicatoren enigszins ouderwets. „Er zijn inmiddels veel meer ‘sophisticated’ manieren om democratie in kaart te brengen dan in een schaal van 1 tot 7.”

De eerste vrijheidsindex van Freedom House dateert uit 1972, maar de organisatie zelf is ouder. Ze werd in 1941 opgericht door de vrouw van de Democratische president, Eleanor Roosevelt, als tegenhanger van het Braunhaus in München, het propagandacentrum van de nazi’s. Na de oorlog wierp de organisatie zich binnen de VS op burgerrechten voor zwarten en stortte het zich internationaal in de Koude Oorlog.

Freedom House werkt volgens drie a’s: analyse (vrijheidsindex), aanbevelingen (oproepen om publieke opinie te beïnvloeden) en actie (subsidie voor projecten).

Zo leverde de organisatie vorig jaar, met financiële steun van de Nederlandse overheid, een drukpers aan de oppositie in Kirgizië en subsidieerde het afgelopen najaar de vertoning van een Zuid-Koreaanse musical in Washington over een strafkamp in Noord-Korea, om aandacht te vragen voor de mensenrechtensituatie aldaar.

Het ‘vlaggenschip’, de vrijheidsindex, is niet voor iedereen heilig. Toen Rusland twee jaar geleden werd gedegradeerd van ‘deels vrij’ naar ‘onvrij’ land, barstte er een storm van kritiek los. De organisatie werd op dat moment voorgezeten door voormalig CIA-directeur James Woolsey, die Rusland verschillende malen „fascistisch” had genoemd.

Het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken wees op Woolsey’s positie en op de subsidie die Freedom House aanneemt van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. „Een negatieve beoordeling van Rusland zal de Amerikaanse regering wel goed uitkomen”, concludeerde Rusland fijntjes. De in Moskou gevestigde Amerikaanse journalist Mark Ames was nog stelliger: „Freedom House wordt geleid door imperialisten. Het is de McDonald’s onder de ngo’s.”

Onderzoeker Gerrits is het ten dele eens met de kritiek. „Rusland scoort in de laatste index lager dan een land als Nigeria op zowel politieke als burgerrechten. Ik vraag me af of dat terecht is. Maar volgens mij wordt een land als Rusland niet zozeer strenger beoordeeld, eerder meer in detail. De verhouding tussen de VS en Rusland ligt politiek natuurlijk gevoeliger. Freedom House is gewoon een erg Amerikaanse organisatie.”

Directeur Jennifer Windsor van Freedom House verklaart desgevraagd per telefoon: „In de Freedom in the World Survey proberen we de grote trends te laten zien. Rusland is een van de meest kwetsbare democratieën van het moment. Het is heel belangrijk die niet te verliezen.”

Dat de regering in Washington de vrijheidsindex op enigerlei manier zou beïnvloeden, ontkent Windsor. Ook Alexander Motyl, Ruslandspecialist, professor politicologie aan de Rutgers University van New Jersey en een van de eindredacteuren van de jaarlijkse Freedom House-publicatie over Oost-Europa, Nations in Transit, zegt altijd onafhankelijk te hebben kunnen werken. „Het bestuur heeft in mijn beleving geen invloed op de onderzoeken.”

Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken beschrijft de medewerkers van Freedom House als „verenigd in de mening dat Amerikaans leiderschap in internationale kwesties essentieel is voor de mensenrechten en vrijheid”. Maar dat Freedom House een unilaterale, neoconservatieve organisatie zou zijn, bestrijdt Windsor ten zeerste.

Eindredacteur Motyl wijt de kritiek aan het politieke tij. „Nu Bush aan de macht is, kunnen wij Amerikanen maar weinig goed doen: als je toevallig iets vindt dat Bush ook vindt, ben je in Europese ogen meteen ‘guilty by association’.”

(Het eerste deel, over Human Rights Watch, stond 18 januari in de krant.)

Vrijheidsindex 2007:www.freedomhouse.org