Steriliseer incapabele ouders

Het is goed om incapabele ouders te dwingen hun kind na de geboorte af te staan. Beter is het om hen preventief te steriliseren. Want het kind is de dupe, betoogt R. Hoksbergen.

Kamerlid Anouchka van Miltenburg (VVD) wil dat het kabinet bestudeert hoe slechte ouders gedwongen kunnen worden hun kind na de geboorte af te staan (NRC Handelsblad, 19 januari). De boodschap zou beter kunnen luiden: laat slechte ouders geen kind krijgen.

Van Miltenburg trekt zich terecht het lot aan van kinderen geboren bij volstrekt incapabele, veelal ernstig psychisch gestoorde en/of verslaafde ouders. Toch is ze er tegen om bepaalde vrouwen het recht te ontnemen kinderen te krijgen. Liever laat ze deze kinderen geboren worden om hen daarna meteen na de geboorte in een pleeggezin te plaatsen.

Pleeggezinnen dienen volgens haar wel veel meer rechten te krijgen. Het zou niet zo mogen zijn dat pleegouders na jarenlange, uitstekende verzorging en opvoeding van het kind, dit toch nog kwijtraken aan claimende maar ongeschikte biologische ouders.

Bij dit laatste sluit ik mij van harte aan. En ik zou verder willen gaan: maak adoptie van deze kinderen gemakkelijker. Toestemming van deze incapabele ouders zou niet nodig moeten zijn. Met adoptie is de juridische status van ouders en kind meteen verzekerd.

Daar gaat het in deze discussie echter niet om. Verplichte sterilisatie, ik spreek liever van preventieve sterilisatie, is de principiële kwestie. Waarom zou dit niet kunnen, terwijl het toch overduidelijk kan zijn dat een of twee volwassenen absoluut niet adequaat voor een kind kunnen zorgen? Waarom pleit ik daarvoor en niet voor het kind dan toch maar geboren laten worden en vervolgens geadopteerd?

Een jarenlange praktijk van onderzoek en persoonlijke contacten met (volwassen) geadopteerden heeft mij geleerd dat het ‘afgestaan zijn’ een inbreuk doet op de kwaliteit van het leven. Dit ‘tekortgedaan zijn’ wordt dan nog versterkt door het weten af te stammen van dergelijke incapabele mensen. Identificatie of vereenzelviging met deze ouders – het fenomeen dat onverbrekelijk verbonden is aan de kindouderrelatie – heeft daarmee een ernstig negatieve basis. Het wordt dan voor deze kinderen buitengewoon moeilijk om te komen tot een gezonde mate van zelfrespect en zelfwaardering.

Deze negatieve fundamenten van hun leven zijn door pleeg- of adoptieouders niet ongedaan te maken. Hoe groot hun inzet en liefde voor het kind meestal ook is. Door de absolute vrijheid van het ‘recht op kinderen te krijgen’ te hanteren, bouw je de onvrijheid van het zo verkregen, hulpeloze kind in. Het kind is dan immers meteen na geboorte een persoon waarover principiële beslissingen genomen moeten worden. Wat kinderen in principe willen: opgroeien bij de eigen ouders, is bij voorbaat onmogelijk. De Koreaanse geadopteerde Sonja van den Berg laat ons weten (in ‘Geadopteerden ageren tegen hun adoptie’, NRC Handelsblad, 31 december 2006): „Ik geloof niet in het verhaal dat adoptie een verrijking van je leven is. Het is iets dat me is overkomen, iets waarover ik zelf niets te zeggen had.”

Met andere woorden, laten we niet te gemakkelijk denken over ‘adoptie’ als vanzelfsprekende oplossing voor kinderen die helemaal niet geboren hadden hoeven te worden. Laten we de moed hebben om verder te kijken dan de nu door het ministerie van Justitie voorbereide vergemakkelijking van uithuisplaatsing en vereenvoudiging van de positie van pleegouders. Hoe zinvol dit laatste ook is.

R. Hoksbergen is emeritus hoogleraar adoptie aan de Universiteit Utrecht.

    • R. Hoksbergen