Moreel beroep op superrijke leidt tot niets

Als het de ‘grote jongens’ alleen gaat om de onderlinge pikorde, dan is er geen reden om die uit te drukken in exorbitante inkomens. Waardering van prestaties kan ook met roem en eer, betoogt Dick Pels.

Volgens Ewald Engelen (Opinie & Debat, 20 januari) moeten we ophouden om veelverdieners uit jaloezie hun recht op een hoog inkomen te ontzeggen. In plaats daarvan moeten we hen aanspreken op hun „morele plicht tot grootmoedigheid”. Al dat politieke gekrakeel leidt tot niets, want die heftige emoties stoelen op achterhaalde economische theorieën.

Ook stelt hij dat we allemaal liberalen zijn geworden. We accepteren de verdelende superioriteit van markten, stellen autonomie gelijk aan consumentenvrijheid, en zien financiële prikkels als de belangrijkste economische motivator. Het marktdenken heeft gezegevierd. Vreemd dat hij vervolgens komt aanzetten met een solidaristische gedachtegang die weinig heel laat van die „nuchtere” neoliberale consensus, en die wordt bekroond met een „christelijk” beroep op charitas en filantropie dat ons rechtstreeks terugvoert naar de negentiende eeuw.

Maar dat we inmiddels ‘allemaal liberalen zijn geworden’ wordt zowel door de tijdgeest (zekerheid, saamhorigheid, houvast) als de verkiezingsuitslag (Marijnissen: „de socialen zijn de liberalen gepasseerd”) tegengesproken. Zelfs als Engelen gelijk heeft, is er binnen die brede liberale kerk voldoende ruimte voor een politieke strijd tussen links en rechts, tussen sociale en asociale liberalen. Als linkse liberaal bestrijd ik bijvoorbeeld de gedachte dat marktuitkomsten per definitie rechtvaardig zijn, zie ik juist een conflict tussen individuele autonomie en ongebreidelde consumptie, en beschouw ik andere, immateriële prestatieprikkels als belangrijker en waardiger dan geld.

Ook Engelen geeft toe dat marktprijs en waarde niet samenvallen, en dat de schaarste van talent weinig te maken heeft met eigen verdienste. Mensen kunnen alleen excelleren, omdat zij profiteren van sociale instituties (zoals een ordelijke markt). Beloningen zijn vaak het gevolg van toeval, pech en geluk, en het merendeel verdwijnt sowieso in de zakken van ‘onverdienstelijke’ eigenaren.

Engelen benadrukt de verregaande economische en sociale arbeidsdeling die ons tot een grote wederzijdse afhankelijkheid brengt en die het in feite verbiedt dat wij onze talenten en de inkomsten ervan individueel toe-eigenen. Maar dat sociaal-kritische verhaal mondt uit in een tandeloze oproep aan al die bofkonten en ‘onrechtvaardigen’ om hun morele plicht te doen en een deel van hun inkomsten aan goede doelen af te staan.

Een politieke strategie om die morele plicht om te zetten in een sociale verplichting ontbreekt. Elke vorm van inkomenspolitiek of herverdeling van welvaart is blijkbaar achterhaald. Engelen rept niet over progressieve belastingen, armoedebestrijding, investering in publieke voorzieningen, noch over een beschaafde, wettelijk vastgelegde maatstaf voor de afstand tussen minimum- en maximuminkomens – zoals het toekomstige salaris van de premier als norminkomen voor de (semi-)publieke sector.

Hij suggereert ten onrechte dat de ‘oude’ sociale kwestie vooral door filantropie werd opgelost. De hele geschiedenis van de vorige eeuw bewijst het tegendeel. Ook de nieuwe sociale kwestie – de stagnatie van de kansengelijkheid en de dreigende segregatie in de multiculturele samenleving – wordt niet vooruitgeholpen door filantropie, maar door ouderwetse sociale politiek. Collectieve machtsvorming en politiek ingrijpen zijn nodig om de effecten van de sociale erfelijkheid te bestrijden en een werkelijke kansengelijkheid te scheppen. Een van de middelen daartoe is het terugdringen van een al te grote ongelijkheid in inkomens en vermogens.

Juist het inzicht dat zoiets als productieve waarde niet eenduidig wetenschappelijk kan worden vastgesteld en evenmin eenzijdig kan en mag worden gedicteerd door de markt, suggereert dat ‘verdienste’ de uitkomst moet zijn van een permanent maatschappelijk waardendebat. Hierin worden prestaties voortdurend getoetst aan het criterium van ‘beloning naar verdienste’, en er is dus steeds ruimte voor het aan de kaak stellen van wanverhoudingen tussen beide. Dat is geen loos gekrakeel of jaloers gemor, maar een belangrijke inzet van het debat over een meer rechtvaardige samenleving.

Als een materiële maatstaf voor waarde niet bestaat, betekent dat ook dat geld die maatstaf niet kan leveren. Engelen wijst zelf op het feit dat de inkomenscarrousel voor een groot deel wordt aangejaagd door dieperliggende psychologische motieven als zucht naar status en grootheidswaan, en dat ook de klassieke filantropie misschien meer uiterlijk vertoon dan innerlijke compassie was. Roem en erkenning van de gulle gevers zouden een gepaste beloning zijn voor de door hem gevraagde generositeit.

Het is jammer dat een nadere analyse van de huidige perverse koppeling tussen eer, zelfrespect en geld ontbreekt. Maar als het de ‘grote jongens’ inderdaad gaat om de onderlinge pikorde, dan zouden we deze ‘sociale economie van de eer’ veel systematischer kunnen benutten, en structureler kunnen inzetten tegen de heersende geldeconomie. Bij Engelen volgt maatschappelijke waardering op de gebleken grootmoedigheid van een handjevol rijken. De eer volgt nog steeds het geld. Ik zou die perverse logica willen omdraaien. De waardering van prestaties en de vaststelling van verdiensten moeten het onderwerp zijn van een brede, niet eindigende maatschappelijke discussie. Boven een bepaalde inkomensdrempel (bijvoorbeeld boven dat van de premier) zou de eer een grotere rol moeten spelen dan het geld.

Het egalitaire streven naar vermindering van de materiële ongelijkheid wordt op die manier verzoend met de liberale nadruk op de bijzondere kwaliteiten van mensen die ‘verschil kunnen maken’. Ongelijkheid en excellentie worden dus niet afgestraft, maar geprikkeld en beloond met een openlijke maatschappelijke waardering via prijzen, toptiens, titels en eerbewijzen. Dat zou leiden tot een ander en humaner prijsmechanisme: niet dat van loven en bieden, maar dat van loven en prijzen.

Dick Pels is socioloog en publicist. Zijn boek ‘De economie van de eer’ verschijnt later dit jaar.

Het artikel van Ewald Engelen (‘Probeer vermogenden over te halen geld te doneren’) kan worden nagelezen op www.nrc.nl/opinie

    • Dick Pels