Jaar van de werknemer

Het elektronicaconcern Philips gaat met een goedgevulde kas op overnamepad, de chipmachinefabrikant ASML rapporteert uiterst gunstige resultaten: de start van het jaarcijferseizoen van Nederlandse ondernemingen ziet er veelbelovend uit. In de komende anderhalve maand zullen banken, verzekeraars, industrieconcerns en commerciële dienstverleners hun resultaten over 2006 publiceren – en een tipje van de sluier over 2007 oplichten. Hoewel de sterkste winstgroei, tijdens de opgaande fase van de conjunctuur, inmiddels achter de rug is, zijn de resultaten en vooruitzichten gemiddeld genomen goed.

Het kapitaal heeft dus een uitstekende periode achter de rug, maar hoe zit het met de factor arbeid? Die roert zich na jaren van matigen en bezuinigen. De globalisering hakt er voor de werknemer diep in. Anders dan verwacht leidt de internationalisering van productieprocessen niet zozeer tot een alarmerende werkloosheid. Het belangrijkste effect blijkt druk op de lonen te zijn. In Nederland is de arbeidsinkomensquote, het deel van het nationaal inkomen dat toevalt aan werknemers, gedaald tot het niveau van begin jaren zeventig. Het deel dat winsten uitmaken van het nationaal inkomen is structureel gestegen.

Dat effect is in heel de westerse wereld voelbaar. Loonmatiging kan worden afgedwongen met beleid en centrale afspraken, zoals in West-Europa, of puur door de markt worden bepaald, zoals in de Verenigde Staten. Het gevolg is hetzelfde: stagnatie of zelfs daling van het gemiddelde reële (voor inflatie gecorrigeerde) inkomen. In Nederland bijvoorbeeld zal, met een koopkrachtstijging van tussen de een en twee procent, de door de burger gevoelde welvaart pas dit jaar die van zeven jaar geleden overtreffen.

Zo’n periode van matiging draagt het risico in zich van een terugslag. De eerste tekenen van arbeidsonrust kondigen zich aan, bij Rijksambtenaren en vorige week bij de douaniers op Schiphol. Bouwvakkers sleepten er onlangs een loonstijging van 7,5 procent uit over een periode van twee jaar. De vakcentrale FNV schroefde in november de centrale looneis op van 2,5 procent naar drie procent. De komende tijd zal het dan ook gaan over het bereiken van nieuwe verhoudingen tussen lonen en winsten. Het is begrijpelijk dat de werknemer nu ook wil oogsten; het is even belangrijk dat het bedrijfsleven zijn winstgevendheid op peil houdt.

De oplossing ligt bij een verdere stijging van de arbeidsproductiviteit. Die zal de koek groter moeten maken waaruit arbeid en kapitaal beide een zo flink mogelijke hap willen nemen. Dat betekent investeren en vooral innoveren, want een nog hoogwaardiger economie is het enige antwoord op de uitdaging van de globalisering. Het betekent ook dat de top van het bedrijfsleven zelf zal moeten matigen. Niet omdat topbestuurders het succes niet wordt gegund, integendeel. Maar 2007 lijkt niet de beste tijd om een uitbundig signaal te geven over de ontwikkeling van het eigen inkomen.