Ik ben helemaal niet anti-Israël, ik ben voor vrede

Ik ben bang dat de discussie over mijn boek Palestine Peace Not Apartheid is afgedwaald van de voorstellen waar het in dit boek om gaat: dat de vredesbesprekingen na zes jaar uitstel worden hervat en dat de tragische vervolging van Palestijnen wordt beëindigd.

Hoewel de feiten en de suggesties inzake deze twee kwesties door de meeste critici niet serieus zijn aangevochten of zelfs maar vermeld, lijkt zich een vereende campagne te richten op de titel van het boek, in combinatie met aantijgingen dat ik anti-Israël ben. Dit is niet goed voor al diegenen die zich sterk maken voor de status van Israël als vreedzaam land dat in harmonie leeft met zijn buren.

Het is bemoedigend dat president Bush heeft aangekondigd dat de vrede in het Heilige Land de komende twee jaar voor zijn regering hoge prioriteit zal hebben. Tijdens haar huidige reis naar het Midden-Oosten heeft minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice opgeroepen tot snelle Amerikaans-Israëlisch-Palestijnse besprekingen.

Als grondslag voor vrede heeft Rice het aanbod van de 23 Arabische landen uit 2002 aanbevolen: volledige erkenning van Israël op basis van een terugkeer naar de internationaal erkende grenzen. Dit aanbod sluit aan bij het officiële beleid van de Verenigde Staten, bij eerdere overeenkomsten die al door Israëlische regeringen zijn goedgekeurd in 1978 en 1993, en bij de ‘routekaart’ voor vrede, ontwikkeld door het ‘kwartet’ (de Verenigde Staten, Rusland, de Europese Unie en de Verenigde Naties).

Het is duidelijk dat Israël nooit vrede zal vinden, totdat het bereid is zich terug te trekken uit de naburige bezette gebieden en de Palestijnen toe te staan hun humanitaire en politieke grondrechten uit te oefenen. Door middel van landruil kan deze ‘groene lijn’ in onderhandelingen zodanig worden gewijzigd dat een aanzienlijk aantal Israëlische kolonisten in hun gesubsidieerde huizen ten oosten van de internationaal erkende grens kan blijven wonen.

Het uitgangspunt om Arabisch grondgebied voor vrede te ruilen is voor het merendeel van de Israëliërs al tientallen jaren aanvaardbaar, maar niet voor een minderheid van conservatieve leiders die helaas wordt gesteund door het meest spraakmakende deel van de Amerikaans-joodse gemeenschap.

Ditzelfde uitgangspunt zal natuurlijk moeten worden aanvaard door elke regering die de Palestijnen vertegenwoordigt. Bij een opiniepeiling in maart 2006 door de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem en het Palestijnse Centrum voor Beleids- en Opinie-onderzoek in Ramallah bleek een acceptatie van 73 procent onder de burgers van de bezette gebieden, en de Palestijnse premier Ismail Haniyeh heeft zijn steun betuigd aan besprekingen tussen president Mahmoud Abbas en de Israëlische premier Ehud Olmert en beloofd de afwijzende houding van Hamas te beëindigen als een bereikte overeenkomst door het Palestijnse volk wordt goedgekeurd.

Het is verstandig van Abbas om minister Rice te blijven voorhouden dat hij tegen alle ‘tussentijdse’ grenzen voor de Palestijnse staat is. Het stap-voor-staprecept van de routekaart dat bijna drie jaar geleden tot een definitief akkoord had moeten leiden bleek een kansloze zaak – en een excuus om geen stap vooruit te komen. Ik weet uit ervaring dat het vaak moeilijker is om een voorlopig akkoord te sluiten – met al zijn toekomstige onzekerheden – dan om het hele arsenaal van essentiële vraagstukken te behandelen dat zal moeten worden opgelost om het doel van vrede te bereiken.

Gelet op deze recente ontwikkelingen en op het feit dat de Democratische Partij klaarstaat om een belangrijker rol in het landsbestuur te spelen, is dit een goed moment om het Democratische beleid in het Midden-Oosten als geheel te verduidelijken.

Er staan tal van mogelijkheden open nu het Congres zijn suggesties op één lijn probeert te brengen met het beleid van het Witte Huis, en het lijdt weinig twijfel of de voornaamste voorstellen van de Studiegroep inzake Irak bieden een goede basis waarop de Democraten misschien een soort consensus kunnen bereiken (in het besef dat individuele wetgevers op details nog altijd hun eigen voorstellen kunnen doen).

Dit partijbeleid zou een redelijk antwoord vormen op de aantijging dat de Democraten zelf geen alternatieven hebben om het wespennest Irak aan te pakken.

Een doorslaggevende factor in een Irak-beleid zou de harde eis aan de regering van premier Nouri al-Maliki zijn om samen te werken bij de beëindiging van het sektarisch geweld, ondersteund door een duidelijke mededeling over de plannen tot terugtrekking van troepen. Een belofte tot regionale samenwerking, met inbegrip van mogelijkheden voor Iran en Syrië om deel te nemen, zou nuttig zijn om aarzelende Irakezen te verzekeren dat Amerika niet de overheersende macht van buiten blijft die hun militaire, politieke en economische toekomst bepaalt.

Hoewel de Israëlische premier op deze facetten van het rapport van de Studiegroep-Irak kritiek heeft uitgeoefend, zou de moeilijkste aanbeveling voor veel Democraten wel eens de oproep kunnen zijn tot substantiële vredesbesprekingen over de Palestijnse kwestie. Een essentiële factor zal de toestand in de bezette gebieden zijn, en het zou voor Huis én Senaat nuttig zijn als er een betrouwbare delegatie naar de Westelijke Jordaanoever en Gaza werd gestuurd om zich persoonlijk van de situatie op de hoogte te stellen, de belangrijke leiders te spreken en na te gaan wat de vooruitzichten zijn zodra er met vredesbesprekingen kan worden begonnen.

Ik ben ervan overtuigd dat dit, met steun van beide partijen, een goede kans op vooruitgang is.

Jimmy Carter was de 39ste president van de Verenigde Staten en kreeg in 2002 de Nobelprijs voor de Vrede. Zijn laatste boek is ‘Palestine Peace Not Apartheid’. © LAT-Washington Post