Historie schreven ze. Maar welke?

In 1972 bracht Richard Nixon een bezoek aan China.

Historica MacMillan laat zien hoe onvoorspelbaar de interactie tussen Nixon en Mao Zedong was.

21 februari 1972. Mao en Nixon tijdens hun ontmoeting in Peking. Foto Black Star/Hollandse Hoogte Het bezoek van de Amerikaanse president Nixon aan China in 1972 veroorzaakte wereldwijd een grote schok. Foto AP China, Peking, 21-02-1972 Richard Nixon (rechts) en Mao Ze Dong tijdens hun historiche ontmoeting in Peking in 1972 Foto: C.W. Owen/Black Star/Transworld Featurenummer: F-5137#26 Hollandse Hoogte

Dat het bezoek van de Amerikaanse president Nixon aan China in 1972 wereldwijd een grote schok veroorzaakte, kwam vooral omdat zo weinigen het van tevoren zagen aankomen. In haar nieuwe boek, Seize the Hour beschrijft de Canadese politieke historica Margaret MacMillan de hondsbrutale eigengereidheid waarmee de president van de Verenigde Staten en zijn nationale veiligheidsadviseur, Henry Kissinger, het staatsbezoek onderhands regelden.

Sinds 1949, het jaar waarin Mao de overwinning behaalde in de Chinese burgeroorlog en zijn communistisch regime vestigde, waren de relaties tussen beide landen non-existent. Eind jaren zestig, toen Nixon en Kissinger hun voorzichtige toenaderingspogingen begonnen, groeide aan Amerikaanse zijde het besef dat het in het voordeel van de VS zou kunnen zijn wanneer er een fatsoenlijke verhouding tussen beide grote mogendheden bestond.

Tot dan toe hadden de Amerikanen zich krampachtig solidair verklaard met het van China afgescheiden Taiwan, een natie die in de internationale relaties meer last dan voordeel opleverde. Maar de politieke en ideologische barrières waren nog altijd huizenhoog; bovendien wisten de beide landen ontstellend weinig over elkaar.

Over Amerika werden in het geïsoleerde China vooral propagandistische clichés verspreid, de Amerikanen hadden op hun beurt nauwelijks inzicht in de binnenlandse politiek van het Mao-regime, dat in 1966 de desastreuze Culturele Revolutie had ontketend. Dat het staatsbezoek doorging en bovendien als een succes kon worden beschouwd, is, schrijft MacMillan, vooral te danken aan de wilskracht van Nixon en Kissinger aan Amerikaanse zijde, en Mao en zijn begaafde minister van buitenlandse zaken, Tsoe En-Lai.

Net als in haar vorige boek, het meesterlijke Peacemakers, over de vredesconferentie in Versailles aan het einde van de Eerste Wereldoorlog (in het Nederlands vertaald als Parijs 1919, maar hier nauwelijks opgevallen; lees dat boek!), beschrijft MacMillan ook nu weer nauwgezet een diplomatieke gebeurtenis met grote historische resonans. Inhoudelijk was het bezoek van Nixon weinig opzienbarend, men benadrukte wat men gemeenschappelijk had en probeerde de onoplosbare geschillen met taal te omzwachtelen. Maar hoewel de betekenis vooral symbolisch was, maakte dat de risico’s eerder groter. Over de hele wereld werd met argusogen naar Nixon gekeken, niet het minst in zijn eigen land, waar de Republikeinse achterban doodsbenauwd was voor een knieval van Amerika voor communistisch China en ook voor verraad van bondgenoot Taiwan.

MacMillan probeert de gebeurtenis van zowel het Amerikaanse als het Chinese gezichtspunt te beschrijven, en het verbaast niet dat het eerste haar beter af gaat dan het tweede. De bronnen aan Amerikaanse zijde zijn nu eenmaal talrijk en voluit beschikbaar; naast de overstelpende hoeveelheid bladzijden met herinneringen van Nixon en Kissinger zijn er vrijgegeven aantekeningen en memo’s, die vaak een ander licht op handelingen en gedachten werpen. Daarbij voert ze een waslijst aan gesprekken met Amerikaanse getuigen op.

Aan Chinese kant verlaat MacMillan zich vooral op bekende getuigenissen, zoals die van Mao’s lijfarts, zijn vertaler en het vernietigende boek over Mao van Jung Chang en Jon Halliday. Vanzelfsprekend waren China-deskundigen er als de kippen bij om bij het verschijnen van Seize the Hour historische onjuistheden aan te wijzen, hoewel geen van hen afbreuk deed aan de strekking van haar relaas.

Er is nog iets dat het boek onevenwichtig maakt. Macmillan wisselt haar beschrijving van Nixons bezoek aan China, dat alles bij elkaar een week duurde, steeds af met beschrijvingen van de historische achtergrond; de moeizame relatie tussen de beide landen, de persoonlijke voorgeschiedenis van de hoofdrolspelers, de politieke ontwikkelingen die de Verenigde Staten en China rijp maakten om zo’n onverwachte stap te zetten. Dat zijn stuk voor stuk interessante hoofdstukken, waarbij het relaas van het staatsbezoek zelf nogal bleekjes afsteekt. Er is de ontmoeting met een doodzieke Mao, maar over de conversatie valt weinig schokkends te melden. Er zijn de talloze ontmoetingen met Tsoe En-lai, de staatsbanketten en de toespraken, de toeristische uitstapjes (die Nixon haatte en steeds probeerde in te korten, en het liefst aan zijn behulpzame vrouw Pat overliet).

Macmillan komt met een aantal anekdotes over de wederzijdse onwennigheid (de verrukking aan Chinese kant over een fotokopieerapparaat, de klap die Amerikanen kregen van de maotai, de Chinese drank met een formidabel hoog alcoholpercentage), er staat een veelzeggende foto in haar boek van een ongemakkelijk kijkende Nixon naast de derde vrouw van Mao, Jiang Qing, tijdens het bezoek aan een van haar revolutionaire opera’s – maar dat kan niet verhullen dat er tijdens het staatsbezoek zelf politiek gezien bar weinig gebeurde, zeker als je het vergelijkt met de stormachtige scènes tijdens de Parijse vredesconferentie in Peacemakers.

Wat haar, net als in dat boek, wèl lukt, is laten zien hoe verrassend en onvoorspelbaar de relatie tussen persoonlijkheden als Mao, Nixon, Kissinger en Tsoe En-lai en de geschiedenis is. Nixon was nauwelijks geïnteresseerd in binnenlandse aangelegenheden, waar hij met onverholen cynisme op neerkeek, wat hem anderhalf jaar na zijn Chinese triomf fataal zou worden. Hij zag zijn presidentschap vooral in het licht van de buitenlandse politiek; en daarin vonden hij en Kissinger elkaar.

De verhouding tussen de beide mannen was moeizaam, op het persoonlijke vlak hadden ze elkaar niets te zeggen, Nixon misgunde Kissinger de schijnwerpers, maar allebei waren ze verslingerd aan staatsdiplomatie en het schaakspel van de geopolitiek. Kissinger koesterde een venijnig wantrouwen tegen het State Department en hield de minister van buitenlandse zaken, William Rogers, hondsbrutaal buiten alle belangrijke besprekingen en beslissingen, overigens met instemming van Nixon.

De hoofdrolspelers in het historische staatsbezoek wisten weliswaar dat ze geschiedenis maakten, maar ze wisten, dat laat MacMillans mooi zien, niet welke. Aan zijn door hem verachte collega Rogers liet Kissinger over wat hij als het kruimelwerk van de diplomatie beschouwde, de handel en het toerisme. Handel tussen de VS en China zou nooit iets voorstellen en wederzijdse uitwisseling van bezoekers zou geen invloed op de bestaande situatie in beide landen hebben, wist Kissinger. Interessante voorspellingen, noemt MacMillan zulke uitspraken, op de droog-ironische toon die Seize the Hour een plezier om te lezen maakt. Alleen al het bedrijf Walmart importeert jaarlijks voor zo’n achttien miljard dollar uit China. Per jaar bezoeken zo’n negenhonderdduizend Amerikanen China en veel van de huidige leiders van China bezitten een graad die ze aan een Amerikaanse universiteit hebben behaald.

Margaret MacMillan: Seize the Hour. When Nixon met Mao. John Murray, 384 blz. € 42,50