Eelt

Aan de overzijde van de provinciegrens woonde Wil Brouwers, de veldrijder die tot de nationale top behoorde. Ik zag nogal tegen hem op. Niet alleen omdat zijn ster reeds hoog aan het firmament fonkelde, maar vooral omdat hij het geheimzinnige merkteken der crosskampioenen op zijn lichaam droeg. Hij heeft het me een keer laten zien, ja, zelfs laten voelen: Wil Brouwers had eelt op zijn schouder. Kun je nagaan hoe intensief zijn trainingen waren waarbij hij de fiets op zijn nek meezeulde alsof het een te redden dier was.

Eelt op de schouder, ik had het niet, maar verlangde er vurig naar. Ik kon het ook niet hebben. Overdag zat ik opgesloten op de middelbare school, en één training in de week (plus één veldrit in het weekend), was echt te weinig om de verhoorning op gang te brengen, laat staan te consolideren.

In 1976 werd Wil Brouwers Nederlands kampioen op de vettige lössgrond van Cadier en Keer. Eerder die middag had ik zelf de bronzen plak veroverd in de categorie junioren. Op zich was dat een prestatie van formaat. Want onder de zeventien- en achttienjarige concurrentie bevonden zich notoire spijbelaars en werklozen die leefden als halve professionals en dus veel beter voorbereid (en met een beginnende eeltlaag op de schouders) aan de start verschenen. Maar ik had dan weer het voordeel dat ik een verlossing zoekende romanticus was. En voor verlossing was Cadier en Keer de aangewezen plek.

Wat een smeerboel was het daar. Slippend, strompelend, struikelend, kruipend, en slepend met fietsen bewogen we ons over het zwaar geaccidenteerde parcours. Al gauw was niet meer te onderscheiden wat aarde was en wat renner. Een straffe wind joeg uit het zuidwesten. Onze longblaasjes werden tot scheuring gedreven, hartkleppen lekten. Kortom, het was afzien geblazen. Maar ik woekerde voort als een tevreden parasiet. Een inniger verstrengeling met de elementen was niet denkbaar.

Niet lang hierna, en onder voortdurende druk van vijandelijke aanvallen van common sense, verloor ik mijn passie voor de competitieve veldrijderij. Een fiets dient om op te fietsen, die gooi je niet over je schouder. Veldrijden is sneu. Iets als snelwandelen. Je wandelt óf je loopt hard. Niet iets er tussenin. Veldrijden en snelwandelen doe je beter in je eentje. Als niemand het ziet.

Zondag werd in Hoogerheide de elfde en laatste wereldbekerwedstrijd van het seizoen verreden. Het weer zat niet mee – zure kou, regen, hagel, wind; het parkoers was een drekbak waarin het beste scharrelvarken ten onder was gegaan. Onderkoelde coureurs vielen huilend in armen van EHBO’ers. Onze landgenoot Gerben de Knegt poogde manmoedig op te rukken naar de derde plaats in het wereldbekerklassement, maar anderhalve ronde voor het einde had hij een bijna-doodervaring, en viel versteend om.

Dat is dan toch wel weer mooi.

In de maandagochtendkrant zie ik een onherkenbaar poppetje met een fiets op zijn schouder. Wat is renner, wat is aarde? Als het klimaat tegenzit groeit een kleine sport groot.