Alleen goed onderwijs, en geen fratsen

Volgens het ministerie van Onderwijs is Nederland hoger opgeleid dan ooit. Dat is nog maar de vraag. Het onderwijs in Nederland is, sinds de invoering van de Mammoetwet in 1968, in verval en dat proces ging door met de invoering van de Basisvorming en de Tweede Fase in de jaren ’90. De nadruk is verschoven van vakinhoud naar vaardigheden en samenwerkend leren.

De gevolgen zijn desastreus: pabo-studenten met een lager rekenniveau dan de hoogste groep van de basisschool, en universiteiten die het niveau van nieuwe studenten moeten controleren door middel van basistoetsen. In plaats dat het niveau wordt opgekrikt, gebeurt het tegenovergestelde zodat er meer studenten doorstromen en geld opleveren voor de onderwijsinstellingen.

Op lerarenopleidingen bestaat taalonderwijs inmiddels bijna niet meer en we vervallen meer en meer in competenties: het nieuwe modewoord in het onderwijs. Deze ‘leerdoelen’ kan elke student zelf samenstellen. Met deze competenties vervaardigt hij zijn eigen leerplan, een portfolio genaamd. Als de student aan het einde van de rit aan dit eigengemaakte portfolio heeft voldaan is hij afgestudeerd. De student waakt zelf, samen met een coach, over de kwaliteit en het eindniveau.

Dit ‘Onderwijs door en voor de student’ is niets meer dan een bezuinigingsoperatie. Slechts een vijfde van het totale budget gaat naar kennisoverdracht. Wat eerder twee docenten deden, doet nu een docent via e-mail en internet. Het zal duidelijk zijn dat hierdoor geen tijd meer is voor individuele ondersteuning van studenten, mede als gevolg van de administratieve rompslomp voor de docenten.

Gedurende de gehele studie zijn studenten druk bezig met reflecteren, competenties, vaardigheden, vier contacturen per week en portfolio’s.

Na vier jaar bezitten ze een veelvoud aan vaardigheden en de kunst van het mooi praten, maar de kennis ontbreekt. Hoe moeten leraren in spe verantwoorden dat ze uitstekend kunnen communiceren met leerlingen, maar geen enkele kennis van hun vak hebben?

Op de lerarenopleidingen verdwijnen vakdocenten terwijl het aantal studenten en dus het vermogen onevenredig groeit.

De Christelijke Hogeschool Windesheim is hier een in het oog springend voorbeeld. Afgelopen zomer werd bekend dat de tijdelijke contracten van elf docenten niet werden verlengd, omdat een tekort van drie ton dreigde op de begroting. Des te opvallender is het jaarverslag van datzelfde jaar, waaruit blijkt dat Windesheim ruim vijf miljoen euro overgehouden heeft. En ook 2006 lijkt weer een lucratief jaar te worden met een aanzienlijk overschot op de begroting.

Windesheim investeert ondertussen 12,1 miljoen euro in de verbouwing van het entreegebouw, ruim meer dan het begrote bedrag van 9,5 miljoen euro. Ook de ‘flexplek’ is zoiets. Docenten moesten uit hun docentenkamers om vervolgens in een te kleine ruimte met een laptop te gaan werken. Na een jaar bleek dit, logischerwijs, niet te werken, waarna deze kostbare operatie werd teruggedraaid. Het zal duidelijk zijn dat student en ministerie voor heel andere dingen betalen dan voor het onderwijs. De inkomsten per student per jaar bedragen 6.830 euro, hiervan komt slechts 1.366 direct aan hem ten goede. Dit is het landelijke beeld.

Dit geld zou naar het primaire onderwijsproces moeten gaan, waarbinnen de vakdocent de leidende rol heeft van leermeester. Nieuwe leraren en docenten moeten met voldoende kennis kunnen beginnen met lesgeven. Een instaptoets voor nieuwe wiskundestudenten zou volledig overbodig zijn als de waarde van het centraal schriftelijk examen danig wordt opgekrikt.

Als student eis ik structuur en kennis waarop ik later kan terugvallen. Nu mis ik de basis en handvatten die voorheen gemeengoed waren in het onderwijs. De huidige generatie studenten moet het zelf maar uitzoeken. Wij gaan de geschiedenis in als de ‘wikipediageneratie’.

Bert Thijs de Jong is student leraar geschiedenis aan de Christelijke Hogeschool Windesheim, voorzitter van het historisch dispuut ‘Varias Vias’ en lid van Beter Onderwijs Nederland.

    • Bert Thijs de Jong