Wow, Davis vlóóg

Het hele weekend ging op aan het kijken naar schaatsers. Ze reden weer hard, de sprinters in het Noorse Hamar. De rondjes werden met elkaar vergeleken, er was af en toe een moeilijke wissel en na alle paren poetste de dweilmachine de diepe voren uit het ijs.

Ik zal niet ontkennen dat de schaatssport zich heeft ontwikkeld. Er zijn binnenbanen, de sneeuwrand is vervangen door een rode streep met doppen erop, de aerodynamica heeft toegeslagen en de schaatsers gaan steeds sneller.

En toch, als je maar lang genoeg naar het televisiescherm kijkt, dan is schaatsen de sport die het altijd geweest is. Er klinkt een pistoolschot en al snel draaien de schaatsers in geknikte houding rondjes linksom. Zo deed Jaap Eden het in 1890 eigenlijk ook al.

Het wachten is op vernieuwers. Op eigenwijzen die niet langer luisteren naar oude wetten en op zoek gaan naar wat nog niet bestond.

Erben Wennemars had het moeilijk tijdens het wereldkampioenschap sprint. De andere toppers leken net iets beter. Wennemars probeerde van alles. Hij verhoogde het beentempo. „Het is rennen, rennen, rennen.” Wennemars verviel in zijn oude fout. Hij wilde te veel en was vooral te gehaast.

„Je kunt het kwijt zijn hoe je moet schaatsen”, vertelde oud-stayer Bart Veldkamp vanaf de commentatorpositie. Voor je het weet ren je op ijzers over het ijs, terwijl de aloude theorie is: glijden, zo lang mogelijk.

De eerste schaatser op aarde – god mag weten wie het eerst dacht: hé ijs, twee dierenbotjes onder de voeten en glijden maar – is een uitvinder geweest van iets nieuws. Ik moest eraan denken toen ik de Amerikaan Shani Davis in de binnenbocht ongelooflijk hard zag versnellen. Dit was nog nooit vertoond. Eindelijk iemand die de regels van het schaatsen weer eens aan zijn laars lapte.

De gebroeders Wright verdiepten zich begin 1900 in het mysterie van het vliegen. Een mens had hersens, twee vaardige handen om te tekenen en te timmeren, dan moest je toch ook kunnen vliegen, zeker als een simpele vogel het ook lukte?

Op 17 december 1903 slaagden ze erin met een zelfgebouwd model van de grond te komen. Ze vlogen twaalf seconden en kwamen na 37 meter weer op de grond terecht. Dezelfde dag haalden ze 260 meter in zestig seconden.

Gisteren, de officiële datum was 21 januari 2007, slaagde de Amerikaan Shani Davis erin van het ijs op te stijgen en tien meter te vliegen.

„Wow!”, riep Bart Veldkamp langs de kant.

En inderdaad, dit hadden we nog nooit eerder gezien. Een schaatser die niet gleed, niet rende, maar vlóóg! Het lukte maar een paar meter, maar het resultaat was verbijsterend. Zijn tegenstander Lobkov leek stil te staan, het publiek dacht een ufo waar te nemen. Davis stoof door naar de finish en won de 1.000 meter.

Erben Wennemars stond er na afloop van het toernooi verloren bij op het middenterrein. Hij haalde iets uit een plastic zakje dat mij sterk deed denken aan een eierkoek. Een eierkoek, een product uit de vorige eeuw. Lekker, maar ouderwets, zeker na de supersonische stijl van Davis.

De Amerikaan kreeg de glimlach niet meer van zijn gezicht, ook al werd hij in de eindrangschikking ‘slechts’ derde. Ik snapte het, hij was de eerste schaatser op aarde die opsteeg van het ijs en vloog. Shani Davis is miles ahead.