Voedsel is ook mensenrecht

Van gewetensgevangenen naar recht op abortus.

Deel 3 in een serie over internationale organisaties voor mensenrechten en democratie.

Heeft een verkrachte vrouw het principiële recht op abortus? Die vraag wordt sinds enkele maanden gesteld aan de leden van mensenrechtenorganisatie Amnesty International, actief in meer dan zeventig landen ter wereld. Dit jaar beslist het internationaal uitvoerend comité in Londen of er genoeg draagkracht is onder de leden om het recht op abortus in specifieke gevallen zoals verkrachting, te garanderen.

De zogeheten voortplantingsrechten, maar ook het recht op voedsel, om vrij op internet te kunnen surfen of om homoseksueel te zijn: het zijn onderwerpen waar Amnesty zich pas relatief kort mee bezig houdt. De organisatie werd in 1961 opgericht door de Britse advocaat Peter Benenson, met als enig doel gewetensgevangenen vrij te krijgen. In de jaren daarna kwamen daar het recht op een humane behandeling in de cel en een lobby tegen de doodstraf bij.

Sinds 2001 is het werkterrein van Amnesty drastisch uitgebreid naar de zogenaamde economische, sociale en culturele rechten uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

„Met het groeien van de organisatie ontstond de mogelijkheid en de behoefte om meer te doen dan gemartelde en met de doodstraf bedreigde politieke gevangenen helpen. De abortuskwestie waarover nu wordt gepraat, maakt deel uit van een campagne tegen geweld tegen vrouwen”, zegt Richard Bunting, woordvoerder van Amnesty International in Londen. De organisatie heeft nu bijna twee miljoen leden, in toenemende mate uit niet-Westerse landen.

Volgens onderzoeker Stephen Hopgood van de London University, auteur van het vorig jaar verschenen boek Keepers of the Flame, Understanding Amnesty, is ook de achtergrond van leden aanleiding geweest voor de recente uitbreiding van het mandaat van Amnesty. „In Azië of Afrika speelt het recht op water of voedsel een veel grotere rol dan bij ons.”

In 1977 ontving Amnesty de Nobelprijs voor de Vrede. Het Noorse comité roemde Amnesty’s principiële onpartijdigheid. Hopgood, die voor zijn onderzoek twee jaar meeliep bij de organisatie, signaleert dat sommige leden bang zijn dat de neutrale positie van Amnesty onder druk komt te staan door het grote aantal onderwerpen waarover het zich nu moet uitspreken.

„Als Amnesty nu beslist om principieel voor een omstreden recht als dat op abortus te zijn, is een deel van de leden daar tegen. Niet alleen leden uit katholieke landen, maar ook mensen die niet willen dat Amnesty uitspraken doet over zulke controversiële onderwerpen. Van het recht op gewetensvrijheid kan je zeggen: dat is fundamenteel en onbetwistbaar. Een standpunt over abortus wordt al gauw politiek.”

Ook in de rapporten die Amnesty jaarlijks produceert is de verbreding van het blikveld te merken, zegt Ruud Bosgraaf, woordvoerder van Amnesty in Nederland. De Nederlandse afdeling telt ruim 280.000 leden en is daarmee de grootste op de Britse na.

„Waar een rapport over Israël en Palestijnen vroeger altijd ging over gevangenschap, doodstraf of marteling, komen in recentere rapportages ook andere kwesties aan de orde. Bijvoorbeeld de invloed van de afscheiding die Israël laat bouwen, op het leven van de Palestijnen: kunnen ze nog naar hun werk, of naar het ziekenhuis?”

De meeste Amnesty-rapporten worden door het hoofdkantoor in Londen gepubliceerd. De organisatie brengt mensenrechtenschendingen in kaart door het bezoeken van gevangenissen, het spreken met advocaten en betrokkenen en het analyseren van berichtgeving uit de media. Ieder feit dat Amnesty in een rapport opneemt, moet zijn onderschreven door ten minste drie onafhankelijke bronnen.

Daarna volgt in veel gevallen een campagne waar Amnesty met name bekend van is en waarmee het zoveel leden wierf: het schrijven van brieven aan gevangenen en protesten aan de regeringen die voor het gevangenschap verantwoordelijk zijn.

Hopgood verwacht dat de recente uitbreiding van het mandaat niet wordt teruggedraaid. „De hervormers voelen de druk van jongere organisaties als Human Rights Watch, die zich met alle mensenrechten bezighouden. Ze willen competitief zijn, zich ook over elke crisis kunnen uitspreken.”

Maar een kwestie als Guantánamo Bay toont volgens de onderzoeker voor veel leden aan dat de oorspronkelijke uitgangspunten van Amnesty ook nog steeds actueel zijn. „De traditionalisten, die ik ‘Keepers of the Flame’ noem, zullen er voor kiezen zich enkel met dat soort fundamentele kwesties bezig te houden en dan maar een iets minder relevante speler te zijn, om de mensenrechten-autoriteit te kunnen blijven die Amnesty in de loop der jaren is geworden.”

Eerdere afleveringen van deze serie zijn te lezen op: www.nrc.nl/buitenland