Herstelde taboes

Achteraf zijn dingen altijd anders. Achteraf lijkt het helemaal niet zo gek als je op je 23ste besloten zou hebben dat dat kind wél had kunnen komen, ook al woonde je op een krakkemikkige, lekkende etage, zat je midden in je studie, had je geen geld en geen man, want de eventuele vader was niet ‘vrij’. Achteraf gelden heel andere criteria, achteraf gaat de tijd snel, is er altijd wel een oplossing, was dat kind er dan tenminste geweest en nu geen, achteraf zou het misschien iets geweest zijn als iemand toen gezegd had: laten we er eens rustig over praten. Beslis niet te snel.

Maar of dat allemaal ook echt waar is? De tijd was ook zoals de tijd was: abortus, nu ja, dat kon de beste overkomen, vervelend, daar niet van, maar ja. Het idee dat je er iets tegen zou kunnen hebben, uit een of andere morele overweging, kwam in ontwikkelde grootstedelijke kring bij niemand op. Dat was voorbij. Het ging niet om menselijk leven, het ging om de potentie van leven, de mogelijkheid en dus, meestal, de onmogelijkheid.

Dat dat taboe, de overtuiging dat het een aanslag op een leven was, dat je dus met een belangrijk ethisch vraagstuk te maken had, helemaal verdwenen was, betekende ook werkelijk dat het zo niet gevoeld kon worden. Kan dat gevoel terugkomen? Kun je een ooit doorbroken taboe, echt doorbroken, niet alleen schijnbaar, vanwege de hippe sfeer, weer terugkrijgen?

Toen de vorige burgemeester van Amsterdam, Schelto Patijn, optrad tegen de op elke stoep uitgestalde pornografische ansichtkaarten, hoorde je eigenlijk van niemand, behalve dan van uitbaters die vreesden hun inkomsten te zien dalen, dat hij op de verkeerde weg was. Zo erg doorbroken was het taboe op openbare seks blijkbaar toch niet, het werd hinderlijk gevonden, ongemakkelijk, vulgair. Schokkend weet ik niet. Geloof het niet.

Wat maakte het ongemakkelijk? Wie geregeld naar de televisie kijkt, ziet daar dingen waarvoor je vroeger naar pornobioscopen moest, die worden nu koel gepresenteerd als informatie geheel overeenkomstig inlichtingen over hoe men een uitje dient te snijden of een auto uit de slip haalt. Wordt dat niet meer aanstootgevend gevonden? Niet echt, niet heel erg, want zulke uitzendingen zijn er en blijven en er wordt nauwelijks over gepraat en niet noemenswaardig tegen geprotesteerd. Zijn die ansichten erger dan de televisie? Nee, maar je kunt ze moeilijker ontwijken. Ze zijn demonstratiever. En ze zijn ordinair. En waarom is het zo ordinair om moppen tappende geslachtsdelen als leuke groeten uit Amsterdam aan te bieden? Denkelijk omdat het raakt aan een diepe overtuiging die je niet kwijt wilt, namelijk dat seks en intimiteit bij elkaar horen, zouden moeten horen, omdat dingen die je belangrijk vindt, waardeloos gemaakt worden.

Zo’n soort diepe overtuiging hoorde blijkbaar niet bij abortus. Je kon er verdriet van hebben later, of verdriet, eerder de niet af te schudden melancholie om de verloren verwachtingen, het niet geleefde leven, de vervulling die jouw leegte had overgeslagen. Met morele overwegingen had en heeft dat niets te maken.

Laatst hing op een boerderij waar ik op bezoek kwam een half doorgezaagd varken aan de schuurdeur dat we zouden gaan verwerken. Een schitterend gezicht, en ik vond het juist en niet-schijnheilig om te weten wat we deden als we aten. Het was, zeg ik er maar even bij, een zeug van een jaar oud die een prettig buitenleven had geleid. Even later lag het halve beest op een grote tafel en werd ontleed in de gangbare ‘technische delen’, en aan het eind van de dag hingen overal worstjes, worstjes die moesten drogen, bloedworstjes, leverworst, lagen er hammen in de pekel en karbonades in de vriezer, verrees een muur van patés, lag de hoofdkaas te pocheren en trilden smakelijke stukjes in de gelei die getrokken was van poten en oren van hetzelfde varken. Alles verwerkt. Enorm bevredigend, mooi gewerkt, mooi ambachtelijk.

Geen taboe te bespeuren.

Je kunt makkelijk koel zijn bij een geslacht dier, zeker als je je herinnert hoe in slagerijen altijd karkassen hingen, en als je altijd als je vlees eet, weet dat het van een dier is, en niet denkt dat worsten verzonnen worden in een fabriek. Wennen aan de aanblik is ook heel makkelijk. Als vlees niet alleen maar in papierdunne lapjes op kartonnen schaaltjes getoond wordt, maar gewoon, zoals het is, dan huivert als spoedig niets in je meer bij het afsnijden van de kop. Alsof het een anatomische les was zo stonden we daar, hevig geïnteresseerd in de beste uitsnede, de verschillende soorten spek, de lengte van ribben. En als, even denk je dat toch, als het een mens was geweest? Dan zou je van afschuw niet hebben geweten hoe snel je weg moest, doodsbang zou je zijn, diep geschokt. Is die grens dun? Is het taboe hard en hevig genoeg? Als je in een land zou wonen waar een mensenleven ‘goedkoop’ is, zoals we dat dan zeggen, zou je dan op een dag zonder blikken of blozen zeggen: daar ligt weer een lijk in de berm, ik snap niet dat ze dat niet opruimen?

Misschien. Wat betekent dat er geen nuttiger taboes zijn dan zulke, want alleen door diepe afkeer, het hevig beleefde gevoel dat het onmogelijk is om een mens zo te behandelen, houden we onszelf in toom.

Je zou je misschien kunnen aanwennen het dode varken net zo ondenkbaar te vinden. Wil je dat? Je kunt abortus weer leren gelijk stellen aan moord, wil je dat?

Ik niet. Geen van beide. Maar het zou wel goed zijn als we ons ongemakkelijk voelen, blijven voelen, zoals met die in wezen geheel onschuldige seks. Niet ongemakkelijk omdat er mensen zijn die hard „moord, moord, moord” schreeuwen. Maar vanwege het ongeleefde leven, de niet ingeloste verwachting, de kansen die niet gegund werden.

Maak daar maar eens politiek van.

    • Marjoleine de Vos