Had Modersohn maar langer geleefd

Paula Modersohn-Becker, Brustbild eines Mädchens mit Strohhut und Kind im Profil, ca. 1903

Tentoonstelling: Paula Modersohn-Becker. T/m 11 maart in het Chabot Museum, Museumpark 11, Rotterdam. Inl.: 010 4363713, www.chabotmuseum.nl

Als Paula Modersohn-Becker (1876-1907) niet naar Parijs was afgereisd, dan hadden we nooit van haar gehoord. Parijs was rond 1900 de enige plek in Europa waar je als vrouw een serieuze kunstopleiding kon krijgen. Vrouwen uit alle landen ontmoetten elkaar aan de kunstacademies. Met de stad zelf had Modersohn niet veel. Liever benutte ze haar studie om dag en nacht te schilderen en te tekenen, zodat ze gauw terug kon naar haar dorp Worpswede in Bremen. Vijftig van haar 750 tekeningen en schilderijen hangen nu in het Chabot Museum, ter herdenking van haar honderdste sterfdag.

De wereld van Worpswede was groot genoeg voor Modersohn. Bomen, (zelf)portretten, moederschap en een enkel stilleven vormden de enige onderwerpen waar ze belangstelling voor had. Haar eerste doeken waren realistische, onopgesmukte naakten. Hoekige meisjesbotten of volle vrouwenborsten doen denken aan respectievelijk George Minne en Käthe Kollwitz. Maar haar echte thema was intimiteit. Het ontroerende Meisje met kind voor rode bloemen uit 1902 toont twee kinderhoofdjes, liefdevol beschut door een bloemenhaag. Dansende lichtvlekjes op het gelaat waren de enige beweging die ze ooit toeliet. Door steevast opsmuk uit te bannen, drong ze door tot de kern van het bestaan, eenzelfde levenskracht als die haar ambitie voedde. Daar had ze geen Parijse drukte voor nodig.

Dat men haar basale schilderstijl in het interbellum shockerend direct vond, is niet meer voor te stellen. De hedendaagse kunst is veel rauwer, alleen in betuttelende damesbladen komen nog lieve plaatjes van baby’s voor. Een microkosmos staat vaak gelijk met een beperkte blik. Toch moet je dat idee loslaten als je Modersohns werk bekijkt, ook al lijkt het soms wat tam. Haar moeder- en kindportretten stoelden niet op clichés maar op een oprechte behoefte door te dringen tot de essentie van het leven.

In Worpswede hield Modersohn de kunstwereld in de gaten. In haar tentoonstelling herken je het decoratieve van volkskunst, Gauguins kleuren, Toorops composities – vaak in een eigen, wat naïeve stijl, soms nog zoekend. Het stempel ‘Entartete Kunst’ leverde haar na de oorlog veel populariteit op in het anti-Duitse buitenland. Nederlandse critici riepen Modersohn zelfs uit tot een van de meest baanbrekende avantgardisten.

Dat is overdreven. Ze was geen echte wegbereider. Na haar dood werd de kunst robuuster door schilders als Kandinsky en Kirchner, maar zulk expressionisme wilde men in Nederland toen nog niet verzamelen. In 1907 stierf Modersohn, na de geboorte van haar enige kind.

Volgens sommigen heeft ze altijd voorvoeld dat ze kort zou leven. Dat is achteraf gemakkelijk gezegd. Doodsangst of haast zie je niet af aan haar werk, zoals bij Munch, wel levenshonger. Haar verlangen het ‘vibreren der dingen’ uit te drukken, doet de tijd verdwijnen in haar harmonieuze portretten. Ze had meer tijd moeten hebben. Dan had waarschijnlijk heel haar tentoonstelling bewezen hoe ze in meditatieve stilte, grootse emoties meesterlijk wist te vangen.

    • Sandra Smets