De vaardigheden van de installatiemonteur

,Er moet een tussenjaar komen waarin jongelui die het eindexamen havo of vwo op zak hebben, fatsoenlijk leren lezen en schrijven alvorens ze aan een studie mogen beginnen.”

Plannetje van Doekle Terpstra. Hij kwam er vorige week mee toen bekend werd dat 68 procent van de leerlingen van Pedagogische Academies (kweekscholen, toen Theo Thijssen er nog op zat) voor een simpele taaltoets was gezakt.

Waarom is die man niet gewoon voorzitter van de christelijke vakcentrale gebleven? Dan had hij die honderdduizend onopgeleide (of stomme) kinderen kunnen oproepen om naar het Museumplein te komen, teneinde daar onder begeleiding van fluitjes en tromgeroffel in belangenbehartigersritme, net zo lang Hij heb met een b! Hij heb met een b! Hij heb met een b! te repeteren, tot hij ze allemaal als geslaagd kon uitroepen.

Sinds wanneer zou je ook moeten kunnen lezen en schrijven om ergens master in te worden?

„Vooral”, schreef Willem Frederik Hermans al in 1977, „omdat de wetenschappelijke prestaties er niet meer op aan komen”. Dat houdt ‘de prestatiemaatschappij’ maar in stand, zei Wim Kok, voorzitter van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) op 5 september ’77 in de Aula van de Amsterdamse Universiteit.

Het opstel van Hermans was getiteld: ‘Wim Kok moet ook professor worden’.

Dertig jaar geleden al weer. In die dagen begon het een schande te worden om te zeggen: „Onvoldoende voor taal en rekenen? Dan ben je ongeschikt voor verdere studie.” Maar zelfs als voorzitter van de HBO-raad durft Doekle dat nog steeds niet te zeggen, en dus verzint hij een ‘tussenjaar’.

Van dertig jaar geleden herinner ik me ook nog een advertentie waarin een particuliere school een enthousiaste leraar zocht die, mét het enthousiaste docententeam, van mening was dat het in het onderwijs niet zozeer om leren ging, als wel om leren leren. In de advertentie stond ook niet voor welk vák ze iemand zochten; enthousiasme vraagt geen vak.

Begrippen als Iederwijs en Het Nieuwe Leren waren in die dagen bij mijn weten nog pas in wording. Maar een aantal zogenaamde ‘onderwijskundigen’ en schoolleiders was ook toen al niet goed bij z’n hoofd.

Koppige bacteriën zijn dat.

Dertig jaar later zit ik naar het programma Buitenhof te kijken, en probeer de discussie te volgen tussen een ex-leraar die Het Nieuwe Leren heeft omhelsd (en die leren leren dus verre verkiest boven leren) en een vrouwelijke hoogleraar in leerprocessen, die er niet erg in gelooft.

Hoogtepunt van het debat is het moment waarop de vroegere leraar, die inmiddels directeur van een installatiebedrijf is geworden, de vaardigheden prijst die de moderne onderwijsmethode aanleert: communicatie, goede manieren, sympathiek gedrag en geloofwaardigheid.

„Als ik u een prettige monteur toestuur”, roept hij de wat onwennige hoogleraar toe, „die helder kan uitleggen hoe hij het euvel denkt te verhelpen, en die u ook nog vertelt hoeveel de reparatie ongeveer zal kosten – dan bent u toch ook dik tevreden?”

Hij heeft iets geklofts in zijn spraakgebruik. Al drie keer heb ik hem horen spreken van mensen die ‘hun stinkende best’ doen.

De mevrouw is te overdonderd om te zeggen dat de monteur wat haar betreft een onbeschofte vlerk mag zijn die z’n vieze schoenen niet eens heeft geveegd – als na afloop de kraan het maar weer doet. De gespreksleider komt evenmin op dat idee. De installatiefirma triomfeert.

Allemaal dertig jaar geleden begonnen, en nooit fatsoenlijk uitgeroeid.

Ook dertig jaar geleden werd trouwens bij twaalfhonderd basisschoolleerlingen gepeild wat ze van taal vonden. Daar hadden ze allemaal hartgrondig de pest aan. En logisch misschien. In die tijd was de kweekschool net herdoopt in Pabo, en een hele generatie ‘kritische leraren’ was nog aardig bezig onderwijskundig verderf te zaaien.