Alarmfase twee

Schrijf over spelling en je krijgt een karrenvracht reacties over je heen. In totaal reageerden ruim honderd lezers. En wat antwoordden de meesten op de vraag ‘Moet de spelling dan alsnog worden vereenvoudigd, of moet je je simpelweg niet te druk maken over spelfouten’?

Vrijwel iedereen was het erover eens: spelling is niet zo belangrijk, het zijn maar afspraken, die bovendien om de zoveel tijd veranderen, dus waar maken we ons druk over, het gaat uiteindelijk om de inhoud, niet om de vorm.

Maar niet heus! Schrijf over spelling en je krijgt vooral reacties van mensen die sterk aan een goede spelling hechten. Die het zelf goed kunnen en die zich groen en geel ergeren als anderen spelfouten of grammaticale fouten maken.

Welnu, die ergernis deel ik niet, maar dat wil niet zeggen dat ik geen belang hecht aan een correcte spelling en een goede beheersing van de grammatica. Weliswaar vind ik de inhoud van de boodschap uiteindelijk het belangrijkst, maar fouten in de vorm kunnen enorm afleiden. Onlangs stond in het maandblad van deze krant in grote letters boven een artikel het woord ongewilt, en daar blijft je oog dan aan haken.

Wat mij wel verbaast is welke conclusies sommige mensen aan een slechte beheersing van de spelling verbinden. Zoals: wie niet goed kan spellen, kan niet zuiver denken. Dat is je reinste flauwekul. Een helder en logisch betoog verandert niet wezenlijk doordat er hier en daar een spelfout staat.

Het wordt in mijn ogen echt onaangenaam als men neerkijkt op mensen die niet foutloos kunnen spellen. Als men daar de conclusie aan verbindt dat je de foutspellers niet helemaal serieus hoeft te nemen, want ze weten niet hoe het hoort. In dat verband is het goed om te beseffen dat spelling berust op inzichten en afspraken die om de zoveel tijd veranderen. Ruim honderd jaar lang vond men pannekoek de correcte vorm; sinds 1995 vindt de overheid dat dit pannenkoek moet zijn. Er zijn taalkundigen die haarfijn kunnen uitleggen waarom die tussen-n er nu opeens bij hoort, maar zo waren er eerder taalkundigen die konden uitleggen waarom hij er juist niet bij hoorde. In totaal is de spelling de afgelopen tweehonderd jaar vijf keer herzien, met alle gevolgen van dien.

Een van die gevolgen is trouwens dat mensen die nu zeggen dat ze vrijwel nóóit spelfouten maken, sterker nog, dat het toch allemaal zo eenvoudig is, blijken te bedoelen dat ze foutloos de spelling van 1954 hanteren. Geef ze een dictee in de spelling van 1995, met de aanpassingen van 2005, en opeens nemen de onzekerheid en het aantal spelfouten fors toe.

Maar goed, kern van de zaak is dat uit recente onderzoeken blijkt dat jongeren en studenten een belabberde kennis van deze zaken hebben. In hun vooropleiding is de nadruk komen te liggen op vaardigheden als presenteren en communiceren. Leuk en nuttig, maar ze blijken onvoldoende vertrouwd met het keurslijf van onze taal: de spelling en grammatica.

Of die kennis bij oudere generaties in het algemeen zoveel groter is of niet, doet er weinig toe. Als tweederde van alle eerstejaars pabo-studenten nu zakt voor een taaltoets, dan moet hier natuurlijk iets aan worden gedaan.

„Het vak Nederlands is de laatste decennia veel leuker geworden”, hoorde ik een jonge, enthousiaste leraar Nederlands op televisie zeggen. Dat lijkt mij een grote winst, want op mijn middelbare school was het knap saai. Maar als het oude stampwerk onontbeerlijk blijkt, dan moet daar ook tijd voor worden ingeruimd.

Erbij, niet in plaats van.

Reacties via www.nrc.nl/woordhoek

    • Ewoud Sanders