Wishful thinking 5

In mijn reactie op Fred Mullers stelling dat er en fundamentele verschuiving plaatsvindt van continentale naar Anglo-Amerikaanse filosofie (`Denkend westwaarts` W&O 30 december 2006), betoogde ik dat hij zich ten onrechte beroept op het oordeel van het QANU onderzoeksvisitatierapport, aangezien daaruit blijkt dat als er al sprake is van een kwaliteitsverschuiving, die juist in het voordeel van de continentalen is (`Wishful thinking 1`, W&O 6 januari, 2007). Vorige week bracht Muller daar tegenin dat de Anglo`s de afgelopen periode veel beter hebben gescoord bij het verwerven van veni, vidi en vici subsidies (NWO).

Dat klopt en verdient een compliment, maar dit betreft slechts één segment van de NWO-subsidiepot is (naast bijvoorbeeld programmasubsidies) en de NWO-wervingskracht is bovendien verdisconteerd in het totaaloordeel van de QANU. Dat oordeel luidt dat de kwaliteit van het merendeel van het continentale én Anglo-onderzoek in Nederland `very good` tot `excellent` is. Verder heb ik niet beweerd dat het aantal Anglo`s en continentalen even groot is, maar dat het `aandeel van beide tradities nagenoeg gelijk is gebleven`.

Enkele decennia geleden waren er inderdaad nauwelijks Anglo`s, maar dat gold ook voor continentalen. Voor de oprichting van de Centrale Interfaculteit (1960) was er maar een handjevol filosofen, die werkten bij een letterenfaculteit of een natuurwetenschappelijke faculteit. Sindsdien zijn beide tradities gegroeid als kool en, op verschillende manieren, succesvol geïnternationaliseerd. De ad hominem argumenten van Menno Lievers (`Wishful thinking 2`, W&O 6 januari 2007) laat ik liever onbesproken. Ik wil hier slechts één insinuatie ontzenuwen, omdat die niet alleen mij raakt. Hoewel Fred Muller en ik soms hartstochtelijk en openbaar van mening verschillen, kunnen we het op het persoonlijke vlak uitstekend met elkaar vinden. Precies dat maakt het werken aan de Rotterdamse Faculteit der Wijsbegeerte zo aangenaam en stimulerend.