‘We jagen voor ons plezier maar knallen er niet op los’

Jagers houden van dieren, maar schieten ze wel dood. Ook jager Zweitse Lulof (66) zit vol tegenstrijdigheden.

Zweitse Lulof: „Ik wil duurzaam jagen, al is het maar uit eigenbelang.” foto Rien Zilvold voorzitter jagersvereniging zweitse lulof 18-01-2007 foto rien zilvold Zilvold, Rien

Zweitse Lulof is jager. En niet zo’n beetje jager, echt jager, al veertig jaar, en ook tot voor kort voorlichter van de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging en redacteur van het blad De Nederlandse Jager.

„Soms zie je een haas al van verre bezig”, zegt hij. „Je ziet hem even rennen, stoppen, met een pootje achter z’n oor krabben, alsof hij het niet vertrouwt. Dan vindt hij het blijkbaar allemaal toch in orde en komt hij weer meer naar je toe. Dan vertel je in je hoofd al een heel verhaal over wat die haas denkt, dan heb je al een soort band. Dan wil ik liever niet meer schieten, dan hoop ik maar dat-ie voor een ander langs loopt.”

Als het om dieren gaat en hoe ze behandeld moeten worden, is het vaak moeilijk om consequent te zijn. Veel mensen hebben een hekel aan jagers, maar eten wel graag een hazerug. Veel jagers houden van dieren, maar schieten ze wel dood. Veel mensen zijn tegen de bio-industrie, maar zien in het eten van dieren uit het wild geen alternatief, hoewel die nu juist een goed leven gehad hebben, vrij en natuurlijk, zonder druk op het milieu te leggen.

En ook jager Lulof zit vol tegenstrijdigheden. Hij is een zachtaardige man die met animo kan vertellen over het buiten zijn, de leuke eigenschappen van zijn hond, zijn vorige hond, de schoonheid van de ochtendlucht en het genoegen van een zelf geschoten haasje. Dat jagers niet heel populair zijn, heeft hem er nooit van weerhouden te jagen, integendeel. De krachtige anti-jachthouding uit vooral de jaren negentig heeft hij gepareerd met uitleggen, vriendelijk zijn, zorgvuldig zijn.

„Als het jachtseizoen begon, kwamen altijd geheid ook weer de groeperingen die tegen de jacht waren. Dan werd er bijvoorbeeld een ‘kerstbestand’ voorgesteld. Dat woord is natuurlijk knap gevonden. Net als het woord ‘plezierjacht’. Eerst deden we daar flauw over, zeiden we ‘een plezierjacht ligt in Loosdrecht’, maar we gingen toch proberen uit te leggen wat we deden, we gingen naar scholen om te vertellen over de jacht, over natuurbeheer, we probeerden de inconsequenties te laten zien. Er was een keer een programma op de televisie waarin het winkelend publiek op de markt gevraagd werd wat ze hadden gekocht voor de Kerst. Dat was veelal wild. Maar desgevraagd waren ze allemaal tegen de jacht. Of ik werd gebeld door een vrouw van de Dierenbescherming die boos was. Ik zei: ‘Ga een keer mee’. Dat wilde ze niet, want ze was tegen het doden van dieren. Ik vroeg haar of ze zelf vlees at. Ja, ze at wel kip. Ik zei dat die toch ook niet levend de pan in ging. ‘Nee’, zei ze, ‘maar ik eet ook geen hele kip. Ik eet alleen filet.’”

Dat er soms heel dom gepraat wordt over vlees eten, maakt de jacht op zichzelf niet per se sympathieker. Er blijft iets moeilijks aan het idee dat mensen naar buiten gaan met een geweer om voor hun plezier een dier dood te schieten.

„Ja, we jagen voor ons plezier, je wilt elk beroep natuurlijk graag met plezier doen. Maar dat betekent niet dat we er maar op los knallen. Er bestaat zo’n beeld van de jagers dat het zo’n man is met een groen hoedje met een veertje die lekker wil moorden in de bossen. Zo is het niet.

„We doen aan wildbeheer, we tellen hoeveel er zit in een bepaald jachtveld, we maken afspraken over meerdere jachtvelden tegelijk, ook in overleg met Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Ik weet, en dat weet iedere jager over z’n eigen terrein, dat er in mijn veld ongeveer acht hazen zitten. Als ik er drie of vier schiet, kan ik er volgend jaar weer drie of vier schieten... Ik wil duurzaam jagen, al is het maar uit eigenbelang. Zo doet elke jager het in principe, al zal er wel eens een verstekeling tussen zitten.

„We houden ons aan allerlei door onszelf opgestelde regels. Op bijna elke jacht kom je een haas tegen die in het leger zit. Ik heb nog nooit meegemaakt dat-ie opgejaagd werd en vervolgens geschoten. Dat hoort niet. Over het algemeen gaat het zo dat de dieren ons aan horen komen en dan vluchten. Als een haas het hazenpad kiest en hij ontkomt, dan heeft hij gewonnen, als ik hem schiet, heb ik gewonnen. Maar als ik tijdens de jacht langs een haas loop die in het leger ligt, dan zeg ik: ‘Ik zie je wel, maar ik doe net of het niet zo is’. Je mag ook niet schieten als een haas stilzit. De kans dat je hem doodschiet als-ie rent, dus als-ie helemaal gestrekt is, is veel groter. Op dertig meter afstand kun je een rennend haas nog goed schieten, maar een zittend niet. Dat is veel compacter.”

Daar komt het gruwelbeeld van aangeschoten wild in zicht. „Daarvoor zijn de honden”, zegt Lulof, „die sporen zo’n aangeschoten dier op en brengen het naar de jager. Een echt ervaren hond merkt ook heel snel dat een dier is aangeschoten, dan gaan ze er meteen achteraan. Bij een georganiseerde jacht wordt de boel stilgelegd tot die haas is teruggevonden. Maar een haas schieten is eigenlijk niet zo heel moeilijk, je hebt het geleerd. Als-ie langs komt rennen, zwaai je mee met je geweer tot je er met de loop iets voor bent, en dan schiet je.”

Is het dan eigenlijk heel gewoon en heel makkelijk om een dier dood te schieten? Dat valt ook nog wel weer tegen. Er zijn allerlei redenen om niet te schieten, zoals wanneer zo’n haasje al een poosje naar je toe is komen huppelen. Gaat het om anonimiteit dan? Ook weer niet echt, zegt Lulof: „Want als-ie dan ineens een sprint trekt en in volle vaart langskomt, dan vind ik het geen probleem.

„Ik heb ook wel eens gehad dat ik ergens in een slootkant zat in de vroege ochtend, het was heel stil en nevelig, je zag de koeien pas als ze gingen staan. De zon kwam op achter een dode boom, die takken waren net handen, alsof die boom wilde zeggen: wacht nog even. Toen kwamen er twee eenden aanvliegen. Ik dacht: als ik nu schiet, is alles bedorven. Dus ik heb die eenden laten gaan. Dat is raar, want ik zat daar om eenden te schieten. Hoewel het ook logisch is dat je opgaat in de wereld om je heen. Als je staat in een landschap, ben je daarin een vreemd element, maar als je in een slootwal gaat zitten met de laarzen in het water, dan ben je onderdeel van het landschap. Ik heb ook wel eens bij een sloot gezeten op zo’n stoeltje en ik hoorde een geluidje ‘kgg, kgg, kgg’ en daar komt een muisje van rechts aangelopen en dat wandelt zo over mijn laars. Daarna blijft-ie staan en kijkt om: ‘Hé wat was dat?’ Hij loopt verder, om mijn andere laars heen. Daar geniet ik van. Of ik zie een lieveheersbeestje dat bezig is een grasspriet in te klimmen aan de slootkant, en dan weet je dat die grasspriet door gaat buigen als-ie hoger komt en dan valt-ie in de sloot. En ja hoor, dat gebeurt. Dan ben ik wel zo dat ik dat lieveheersbeestje uit de sloot ga vissen.”

En even later komt er een eend en die schiet hij dood, en gaat tevreden naar huis, want het is heerlijk om een lieveheersbeestje gered te hebben en een eendje in de pan te hebben. Maar de kleine geitjes van een goede vriend kostten hem weer moeite.

„Ik had een vriend in Frankrijk en daar kwamen we vroeger heel veel met het hele gezin. Die man hield ook geiten, die molk hij en hij maakte kaas, maar dan heb je natuurlijk ook kleine geitjes. Dat werden er te veel om allemaal te houden. Dus hij had een keer een veehandelaar gebeld en die kwam, ik was daarbij. Die man doet een krankzinnig laag bod, grijpt in elke hand twee geitjes bij de achterpoten en smijt die in zijn aanhangwagen. ‘Wat ga je er nu mee doen?’ vroeg ik. ‘Die gaan naar de Turken’, zegt-ie. Die geitjes liepen om het huis, die kwamen binnen, mijn kinderen hadden ze namen gegeven – dan is het heel onaangenaam als ze zo worden weggehaald. Dus toen we het volgende jaar daar weer waren vroeg mijn vriend of ik ze niet wilde doodschieten, en dan zouden we ze zelf slachten. Dat heb ik toen met mijn kinderen overlegd, die vonden dat goed. Dus ik nam zo’n beestje mee naar de stal en ik schoot het met de buks vlak voor de kop. Het viel meteen om. We hebben de keel doorgesneden, ze leeg laten bloeden en het vlees gegeten, de kinderen ook. Maar toch vind ik dat doden dan moeilijk, je kent zo’n dier, je hebt het bijna geboren zien worden, ze zijn een deel van de huishouding, en dan moet je ze doodschieten. De ratio overwint, omdat anders iemand het doet op een manier die je niet wilt. Je moet het goed doen. Dus niet de ogen dichtknijpen, maar kijken.”

Het jagen daarentegen, is weer het meest bevredigend als het in het eigen veld gebeurt, op de ‘eigen’ dieren en niet zo maar bij iemand anders.

„Ik mocht een keer bij een vriend in Polen een reebok schieten. Hij had een grote boomgaard naast z’n huis en daar kwamen ze om gevallen appels te eten. Hij zei: ‘De tweede van links mag je wel schieten.’ Heb ik gedaan. Ik had wel de voldoening dat-ie er lag, maar ik dacht ook: ‘Was dat nou zo moeilijk?’ Ik kende dat dier niet, híj, mijn vriend, wist dat die bok geschoten moest worden, ik niet. Op je eigen terrein weet je dat zelf: ‘dat bokje is altijd een beetje slap gebleven’. Maar zo maar in een anders veld schieten, daar heb ik niet zoveel mee.

‘Het beheren van een eigen veld is wat anders. Er is het willen eten – ik vind het heerlijk, vlees – en de wetenschap: ik heb het zélf geschoten, duurzaam, ik heb de elementen getrotseerd, ik heb er mijn best voor moeten doen, ik heb er het jaar door voor ‘gezorgd’, ik weet dat die dieren er zijn, dat er voldoende zijn – ja, dat geeft voldoening.”

    • Marjoleine de Vos