Studiedag

Tien over negen stapt docent Bert de Man het hel verlichte lokaaltje binnen. Acht collega’s zitten in een constructief carré. A4-tjes op tafel, bekertje koffie in de hand. Druppels op de ruiten. Bert is te laat. Hij kreeg een telefoontje. Niet dat hij ooit op tijd komt. Alle grappen en ergernissen zijn uitgewisseld maar Bert is onverbeterlijk. Dat oordeel bevestigt hij graag. Je verzetten tegen oordelen is zinloos, beweert hij. Sorry. Hij schuift aan.

Voor de klas staat de inleider van de workshop: Ons Profiel. Wat verwachten wij van een docent? Er moet een fictieve advertentie worden geschreven. Denk na, wat moet je nieuwe collega kunnen? Bert zit samen met Wilma. Ze zuchten. Moet het een wiskunde meester zijn? Of een Franse juf? De inleider peilt de ernst van Berts vraag. Denk niet direct aan een vak, zegt hij. Dit gaat over vaardigheden.

Bert slikt een grap in. Wie te laat is, moet niet meteen de lolligste zijn. Onze nieuwe collega moet hetzelfde kunnen als jij, Wilma, zegt hij. Iedere leerling kennen, een geduldig mens zijn, houden van zijn of haar werk, geen spatjes van ‘ik ben eerstegrader dus ik wil alleen maar lesgeven’. Wilma knikt. Schrijf maar op, zegt ze. Dan zijn we klaar.

Maar Bert schrijft niets op. Hij houdt niet van fictief. Hij houdt van hier en nu. Wat moet hij aan met Ineke? Hoe kan hij Roman weer voor school motiveren? Hij kijkt naar de druppels en ziet het vogelkopje van Ineke voor zich. Alsof ze dwars door hem heen kijkt naar een wereld achter hem. Een wereld waarvan de omtrekken in schemer gehuld zijn. De wereld die ooit bewoond werd door idealen, door zin, door hoop. Ineke msn’t hele avonden. Haar vriendje overweegt zelfmoord.

Gelooft u, mijnheer? Bestaat God? Afgelopen week nog werd het hem gevraagd.

Een leraar kan op zo’n vraag geen antwoord geven, was zijn antwoord.

Waarom niet, mijnheer?

Omdat kinderen, (Bert praat graag een beetje statig) jullie daar zelf over moeten nadenken. Maar om hen tegemoet te komen had hij hun een tekst van Mandela voor gelegd. “Jezelf klein maken helpt de wereld niet vooruit”, die zin.

En Bert, vertel eens, overvalt de inleider hem. Wat moet jullie collega kunnen? Bert bloost. Vogelkopjes zien, denkt hij. Wilma lacht. Onze nieuwe collega moet op mij lijken, vindt hij. Daarom bloost hij zo. Hé, Bert?

    • Marijn Backer