Stavoren – Workum

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in Friesland

Dat de haven van Stavoren verzand zou zijn dankzij een vrouw met kapsones is een fabel: langs de kade zie ik schuiten dobberen. De ereleden van een futenvereniging duiken er en verschalken visjes, ze zwemmen zigzag met gespartel tussen hun snavelpunten. Hoezo verzand? Welke vrouw trekt er nou een ring van haar vinger en smijt hem in zee? Alleen een man kan zulke onhandige roddel verzinnen.

Genoeg. Laat ze maar. Er wordt gewandeld en dat maakt alles goed.

De dijk onthaalt mijn voeten op smakzoenen van de modder tussen het gras en het scherpe licht richt een party aan, met knaleffecten op water en grond. De grashalmen tonen hun platwaaiende rugjes. Ze zijn onder dit, schuins vanonder donderwolken invallend, licht zo fel van kleur dat je bedenkt dat je die tint niet zou kunnen bedenken. In het IJsselmeer zuigt het water het licht op en sproeit het terug via de schuimkopjes, onderwijl een sissend chanson zingend tegen het basalt van de dijk en de pieren. Het strandlopervolk fourageert op de strandjes in hun hoeken. Vergetend dat ze kunnen vliegen, vluchten ze op lange tenen voor de branding die hen toch steeds natte enkels bezorgt. Denk daar niet te licht over. Strandloperenkels zitten ter hoogte van waar je liezen verwacht.

Van het weideland achter de dijk maakt het licht een bordspel. Hier en daar is een vakje met een hoeve of een schuur of riet. Ze worden verbonden door rechte paden en er zijn sloten waaroverheen gesprongen zal moeten worden door de pionnen die over het bord schuiven, in de vorm van een ruiter, een fietser, een gele wagon, een mens te voet met iets langs onder de arm.

Proporties zijn onzeker. Een gans lijkt enorm, een schaap iets van niks. En de witte kielen in de bocht naar de toren van Hindeloopen horen niet bij roeiboten, nee, het zijn caravans. O nee, het zijn vakantiehuizen van het schrale type dat goed genoeg wordt geacht voor toeristen. In sombere kampen die campings heten hebben ze er langs deze kust massa’s van, armoeiïg bemeten en op elkaar geplaatst, in de winter zie je dat pas goed.

Man wijst op aalscholvers op een rij achter een paal met een aalscholver erop: „Die wachten op hun beurt.”

Achter Hindeloopen wordt de hemel boos. Het licht valt terug in de stationairstand, de wind zet het op een gieren. Hij zit achter ons aan. Wandelen is op de loop gaan voor de wind.

18 km. Kaarten 1 t/m 4 uit Friese kustpad. Uitg. Wandelplatform-LAW, Amersfoort 1998. Begin- en eindpunt van de wandeling zijn per trein verbonden.
    • Joyce Roodnat