Slangentemmer zoekt nuttig gif

Nienke Beintema

Inzending Universiteit Leiden Leidse onderzoekers ontdekten dat er veel meer giftige reptielen zijn dan voorheen werd gedacht. Dat opent deuren voor farmaceutische toepassingen. Ook nu vormt reptielengif al de basis voor allerlei veelgebruikte medicijnen. Foto Jupiterimages Close up of various pills. Jupiterimages

‘Slangen eng en gevaarlijk? Welnee.” Freek Vonk, 23 jaar en biologiestudent aan de Universiteit Leiden, vangt de dodelijkste exemplaren met zijn blote handen, het liefst in tropische jungles. Hij heeft het enthousiasme van David Attenborough, de moed van Steve Irwin en het avonturiersbloed van Indiana Jones, maar ook gedegen wetenschappelijk talent: in 2006 publiceerde hij een artikel in Nature en een brief in Science. „Ons onderzoek richt zich op reptielengif”, vertelt Vonk. „Iedereen weet dat slangenbeten dodelijk kunnen zijn, maar wat maar weinig mensen weten is dat het gif voor de mens ook nut kan hebben. Er zijn talloze farmaceutische toepassingen, bijvoorbeeld als medicijn tegen verhoogde bloeddruk, hartfalen en diabetes.”

Vonk en zijn begeleider, prof. dr. Michael Richardson, ontdekten samen met een groep internationale collega’s dat er naast giftige slangen ook veel giftige hagedissen bestaan. „Van twee hagedissen, het gilamonster en de nauw verwante korsthagedis, was al bekend dat ze gif produceren”, vertelt Vonk. „Onze genetische analyses suggereerden echter dat er nog veel meer hagedissen moeten zijn met gifklieren. Weefselanalyses en DNA-onderzoek lieten zien dat dat inderdaad zo is. We hebben nog lang niet alle hagedissen onderzocht, maar er zijn 2300 mogelijke kandidaten. Dat kan een goudmijn zijn voor de farmaceutische industrie.”

Aristoteles vermoedde al dat slangengif een heilzame werking had. Vaststaat dat slangengif in 1835 werd gebruikt tegen hondsdolheid. Tegenwoordig gaan er miljarden in om. „Ons onderzoek laat zien dat gifklieren in de loop van tweehonderd miljoen jaar zijn geëvolueerd”, zegt de bioloog. „Het is een prachtig natuurlijk experiment. Het kan niet anders of er zitten nog veel meer eiwitten tussen die nuttig voor ons zijn.”

Vonk, die tijdens het gesprek een Amerikaanse rattenslang om zijn nek heeft liggen, legt uit hoe je een gifslang melkt. „Cobra’s hebben kleine, eenvoudige giftanden waar je het gif met een pipetje uit kunt zuigen. Adders en ratelslangen hebben daarentegen lange, uitklapbare giftanden die in rust tegen het gehemelte aanliggen. Als je zo’n slang laat bijten in een potje waar een velletje latex overheen is gespannen, kun je het gif in het potje opvangen.” Ongevaarlijk is die handeling niet: als je de slangenkop iets te ver naar voren vastpakt, loop je alsnog kans gebeten te worden. De slang kan namelijk met zijn lange giftanden door zijn eigen onderkaak heenbijten.

Vonk is weliswaar nog niet afgestudeerd, maar vervult toch een spilfunctie in de onderzoeksgroep van Richardson. „Zonder hem zouden we dit werk niet kunnen doen”, zegt de onderzoeksleider. „Freek weet alles van slangen, heeft nuttige connecties in het slangencircuit en weet bovendien hoe je veilig gifslangen kunt houden en hanteren. Wij waren in slangen geïnteresseerd voor embryologisch en evolutionair onderzoek, maar we konden er praktisch gezien nog niets mee. Op dat moment kruiste Freek ons pad.”

Vonk hield als jongen al slangen thuis en verzorgde jarenlang gifslangen in het Delftse reptielenhuis Serpo. Nu reist hij de hele wereld af om wilde gifslangen te vangen en te onderzoeken. „Ik ben erg blij dat ik mijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid kan combineren met mijn slangenhobby en dat ik daarbij ook nog eens bijdraag aan nuttig onderzoek. Het is helemaal mooi als ik mijn enthousiasme met anderen kan delen.”

    • Nienke Beintema