Probeer vermogenden over te halen geld te doneren in plaats van hen te beschimpen

Debatten over topinkomens worden vaak met ongekende heftigheid gevoerd. Ze leiden zelden tot iets, omdat het politieke gekrakeel is gestoeld op achterhaalde economische theorieën.

Ewald Engelen

Politiek filosoof. Werkzaam als financieel geograaf aan de Universiteit van Amsterdam. Auteur van ‘De mythe van de markt’ (1995) en ‘Economisch burgerschap in de onderneming’ (2000). Mede-auteur van de WRR-rapporten ‘Bewijzen van goede dienstverlening’ (2004) en ‘De verzorgingsstaat herwogen’ (2006).

Topinkomens: er zijn weinig (binnenlandse) onderwerpen die de gemoederen al jaren bezighouden. Ging het op het hoogtepunt van de beurshausse nog om de beloningen in de private sector die premier Kok ertoe verleidden van „exorbitante zelfverrijking” te reppen, inmiddels spitst de opwinding zich met name toe op de salariëring in de (semi-) publieke sector.

Het politieke en maatschappelijke debat waartoe het fenomeen van de topinkomens periodiek aanleiding geeft, kenmerkt zich door heftige emoties waardoor de deelnemers zich al snel de verdenking van jaloezie en naijver op de hals halen. Een nuchtere analyse van de verschillende standpunten leert echter dat het gaat om een botsing tussen twee verschillende economische legitimaties voor inkomensongelijkheden.

Volgens de ene verklaring weerspiegelt de ongelijkheid in inkomens de verschillen in bijdragen van individuen aan een collectief productieproces. Volgens deze redenering verdient de bestuurder dus meer dan de portier omdat de bijdrage van de eerste nu eenmaal meer waarde toevoegt aan het collectieve product dan die van de laatste. Zeker voor een beursgenoteerde onderneming kan er moeilijk bezwaar worden gemaakt tegen beloningen die zijn gekoppeld aan koersstijgingen die goede managementprestaties uitdrukken. En naarmate een winstdoelstelling ook in de semipublieke sector haar intrede doet, kan ook daar in toenemende mate ter legitimatie van groeiende inkomensverschillen worden gewezen naar het vermogen van de bestuurders om de prestaties van de instelling te verbeteren.

Jaloerse burgers en Kamerleden hebben in principe geen moeite met dit op individuele contributie gebaseerde verdelingscriterium. Ook de SP onderkent het nut van inkomensverschillen om mensen hun beste beentje te laten voorzetten en heeft het beloningsplafond van drie keer het minimuminkomen uit haar beginselprogram geschrapt. Wat wel wordt betwist, is of de bijdrage van de bestuurder écht zo groot is dat zij de bestaande inkomensverschillen kan verklaren. In deze kritiek klinkt dan ook veelal het verwijt door van de ‘uitvreter’ of de ‘parasiet’ die zich ‘buitensporig’ of ‘exorbitant’ zou verrijken. Niet verrijken als zodanig is het probleem, wel het buitensporige karakter ervan. De Kamervragen van GroenLinks in september 2006 over „buitensporige” handdrukken in de publieke sector, bijvoorbeeld, waren doorspekt met deze stijlfiguur.

Haaks daarop staat een verklaring waarin inkomensverschillen vooral worden gezien als het gevolg van vraag- en aanbodverhoudingen. Goede bestuurders zijn nu eenmaal schaarser dan goede portiers en dat is de reden dat de eersten ook meer verdienen. Ook dit verdelingsprincipe wordt in beginsel door niemand betwist. Karakteristiek is de les die oud-premier Kok uit hoofde van zijn nieuwe commissarissenfuncties moest leren, namelijk dat de markt voor topbestuurders een internationale is en dat ook door Nederlandse ondernemingen marktconforme beloningen moeten worden geboden om goede bestuurders aan te trekken of te behouden. Het gevolg is dat ook Nederlandse ondernemingen in steeds grotere getale hun bestuurders aandelenopties geven waardoor zij hun basissalaris in goede jaren kunnen optrekken tot miljoenenhoogte. Mede daardoor kon Ahold Anders Moberg verleiden naar Nederland te komen en kan Philips voorkomen dat Kleisterlee naar de VS vertrekt.

De meeste Nederlandse burgers en politici begrijpen dat. Wel wordt betwijfeld of goede bestuurders werkelijk zó schaars zijn, zeker in de publieke sector, dat miljoenensalarissen nodig zijn om hen aan te trekken of vast te houden. Tekenend voor deze argwaan is de cynische toon van de ‘Opklaringen’ van Marc Chavannes (Opinie & Debat,10 juni 2006) naar aanleiding van een spoeddebat in de Kamer over topinkomens in de publieke sector, diezelfde maand. „Altijd in overheid en politiek gewerkt en risicovrij pieken met een marktverhaal”, aldus Chavannes over de salariëring van een bestuurder in de semi-publieke sector.

Beide verklaringen wortelen in verschillende economische tradities. De eerste verklaring voor inkomensverschillen stamt uit de klassieke politiek-economische waardetheorie die stelt dat arbeid de bron van alle waarde is en dat de maatstaf voor een rechtvaardige inkomensverdeling gelegen is in de hoeveelheid gespendeerde arbeidskracht.

Deze zogeheten fysiologische maatstaf was wellicht een optie in een overwegend agrarische of industriële economie, maar niet in de glasvezellichte kennis- en ideeëneconomie van vandaag. Dit is dan ook meer en meer een tandeloze kritiek geworden, die weliswaar gepaard gaat met een diepgewortelde morele afkeer van uitbuiting, vervreemding en speculatie maar intellectueel nauwelijks hout snijdt. Dit in toenemende mate loze morele gebaar hoort thuis in de annalen van het socialisme, maar kan ook worden aangetroffen in de kapitalisme-kritiek van bijvoorbeeld het katholicisme. Ook uit die hoek klinkt afkeer van woekerwinsten en speculatie. Maar het morele ijkpunt daarvoor, de talentenparabel uit Mattheüs 25, is eveneens intellectueel moeilijk te onderbouwen. Dat werd geïllustreerd door het schielijk intrekken van de ‘sprinkhanen’-analogie ter aanduiding van speculatieve zwerfkapitalisten door minister Wijn. Diens op christelijke overtuiging gestoelde afkeer van speculatie bleek niet opgewassen tegen de liberaal-economische legitimering ervan.

De tweede kritiek vloeit voort uit een prillere loot aan de stam van de economische wetenschapsbeoefening, de zogeheten grensnuttheorie die dateert van pakweg 1870. Deze theorie kijkt niet naar materiële ‘waarden’ die marktprijzen zouden bepalen, maar beperkt zich tot een analyse van schaarsteverhoudingen op markten waarvan ‘prijzen’ het effect zijn.

Deze theorie kent twee varianten: een idealistische en een meer realistische. In de idealistische variant neigt een perfect werkend stelsel van met elkaar samenhangende markten naar een toestand van evenwicht waardoor prijs en waarde naadloos samenvallen. In deze ideale wereld is de ‘prijs’ die iemand voor zijn arbeid krijgt op de langere termijn precies gelijk aan de ‘waarde’ van zijn bijdrage. Marktprijzen representeren derhalve perfect de individuele verdiensten en zijn om die reden rechtvaardig.

Idealisten weten ook wel dat er een kloof gaapt tussen model en werkelijkheid, maar menen dat alles in het werk moet worden gesteld om die kloof te dichten door de werkelijkheid zoveel mogelijk op het model te laten lijken. In het concrete geval van topinkomens betwisten idealisten de schaarste van bestuurlijke talenten en vermoeden zij dat bepaalde groepen er via marktexterne (lees: politieke) middelen in zijn geslaagd kunstmatig schaarste te veroorzaken om de eigen inkomsten te verhogen. Met name in liberale kring wordt dit vernomen: wel de lusten van marktconform opereren maar niet de lasten. Dit is weliswaar een kritiek op actuele marktbeloningen, maar niet op basis van een autonoom moreel verdelingscriterium zoals bij de klassieke politiek-economische waardentheorie, maar stelt eigenlijk: was er maar sprake van echte marktwerking bij de benoeming van bestuurders, in plaats van zoals het nu gaat – een gerontocratische elite die de benoemingen onderling regelt –, en liepen zij maar dezelfde risico’s als bestuurders in de private sector, dan zouden topinkomens wél verdiend en dus rechtvaardig zijn.

Sinds de jaren zeventig zijn we, vrij naar wijlen president Nixon, ‘allemaal liberalen geworden’. Dat wil zeggen dat we de verdelende superioriteit van markten hebben geaccepteerd; dat we de individuele autonomie van burgers vooral begrijpen als de keuzevrijheid van consumenten; en dat we financiële prikkels steeds meer als de belangrijkste motivator zijn gaan aanmerken. Hoewel her en der nog wat achterhoedegevechten worden geleverd, heeft bij gebrek aan een consistent en aansprekend alternatief het marktdenken onmiskenbaar gezegevierd.

Onze morele aandriften lijken zich daar echter niet altijd iets van aan te trekken. En dat schuurt, zoals keer op keer uit de debatten over de topinkomens blijkt. Hoewel de morele aandrift er een is van scherpe veroordeling ontbreekt de intellectuele onderbouwing, waardoor de volgende dag de katterige stemming van schaamte en bezinning overheerst. En weer een dag later resteert de veel mildere kritiek van de idealistische grensnuttheorie die, zoals gezegd, niet uitmondt in marktinterventie maar juist in marktverbreiding, verbreding en verdieping.

Van de weeromstuit zien de sociaal-democraat, de sociaal-liberaal en de christen-democraat zich dus gedwongen meer markten te maken of markten groter te maken in plaats van ze aan banden te leggen zoals zij zich hadden hadden voorgenomen. Dat is precies wat sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw steeds is gebeurd: meer transparantie moest leiden tot grotere concurrentie en dus tot lagere prijzen. Dat geldt voor financiële markten, voor kunstmarkten, voor huizenmarkten en dus ook voor markten voor topbestuurders.

Realisten verwerpen net als idealisten een materiële maatstaf voor ‘waarde’. Toch menen de eersten dat het allemaal wel leuk en aardig is om te spelen met ideale marktmodellen die in evenwicht zijn, maar dat de economische werkelijkheid er een is waarin prijs en waarde niet noodzakelijkerwijs samenvallen en waarin verschillen in marktuitkomsten niet automatisch verschillen in individuele verdiensten weerspiegelen. Om die reden zijn ze dus niet op voorhand rechtvaardig.

Zoals de grondlegger van de Chicago-school in de economie Frank Knight in 1923 al wist, zijn marktuitkomsten om ten minste vijf redenen niet hetzelfde als individuele verdiensten.

Ten eerste is onze kennis beperkt en kunnen de verdiensten die aan de diverse productiefactoren toekomen – kapitaal, handarbeid, hoofdarbeid, grondstoffen – moeilijk worden vastgelegd.

Ten tweede hangt de prijs die een bepaalde prestatie op de markt opbrengt meer af van zaken als de omvang van de vraag, de toevallige behoefte van consumenten, de aanwezige koopkracht en het wel of niet voorhanden zijn van goedkopere substituten dan van de prestatie zelf.

Ten derde gaat meestal maar een deel van de beloning naar de producenten zelf en verdwijnt het merendeel in de zakken van eigenaren die dat bezit op hun beurt eerder te danken hebben aan een gelukkige mix van erfenis en fortuin, dan aan eigen verdienste.

Ten vierde is het vermogen te voorzien in een toevallig veelvoorkomende behoefte zelf een toevalligheid en dus geen verdienste.

En ten vijfde is ook de toevallige schaarste van een bepaald vermogen – de popster met sexappeal, de voetballer met het goede linkerbeen, de manager met het juiste netwerk – onvoldoende grond om beloning gelijk te stellen aan verdienste.

Bovendien wordt het reëel bestaande kapitalisme, zoals zowel gemeenschapsdenkers als liberalen onderkennen, gekenmerkt door verregaande economische en sociale arbeidsdeling en daarmee door wederzijdse afhankelijkheid. Dat betekent dat al onze handelingen gevolgen voor anderen hebben, wat lastig te rijmen is met individuele claims op de waarde van de effecten van deze handelingen. Oftewel, wat wij gewoonlijk aan onszelf – onze inzet, onze talenten – toeschrijven, is in werkelijkheid op veel verschillende en vaak zeer subtiele manieren verweven met wat onze medemensen hebben gedaan, nog doen en zullen doen.

Wie een realistisch perspectief op markten en economieën hanteert, kan zonder veel moeite een verhaal construeren dat aansluit bij de breed gedeelde morele aandriften die steeds in debatten over topinkomens de kop opsteken, verder gaat dan de idealistische liberale consensus van vandaag maar wel een overtuigende theoretische onderbouwing biedt. Juist omdat marktuitkomsten deels het effect zijn van pech en geluk, factoren die mede worden ‘geproduceerd’ door onze medebewoners op aarde, en markten zelf bovendien beschouwd kunnen worden als collectieve goederen die sommigen in staat stellen te excelleren, is het legitiem om de ‘gelukkigen’ te wijzen op hun morele plicht om een deel van hun inkomsten te reserveren voor onderhoud van de marktarena’s waarop zijzelf hebben kunnen excelleren.

Eind negentiende eeuw begrepen vermogenden en veelverdieners dat. Het antwoord op de ‘sociale quaestie’ van toen – de verzorgingsstaat van vandaag – is gebouwd op een fundament dat mede is gelegd door de filantropie van scheepsbouwers, worstenfabrikanten, havenbaronnen en andere ondernemers. Onbaatzuchtig waren deze initiatiefnemers niet per se; historici zijn van mening dat de filantropie van die dagen ten minste gedeeltelijk moet worden begrepen als de gooi van een kaste van ‘nieuwe rijken’ naar maatschappelijke acceptatie door de ‘oude rijken’. En ook grootheidswaan zal deze heren en een enkele dame niet vreemd zijn geweest. Belangrijk is dat men de eigen opwaartse sociale mobiliteit niet exclusief als persoonlijke verdienste beschouwde en de ‘vernederden en gekrenkten’ van die dagen slapheid van karakter verweet, maar dat men een morele plicht voelde om met de verworven rijkdom ook anderen in staat te stellen hun geluk te beproeven. En die plicht, hoe ook verwoord en hoe ook gelegitimeerd – religieus, socialistisch, humanistisch, conservatief –, berustte uiteindelijk op de diep gevoelde ervaring van onderlinge afhankelijkheid die karakteristiek is voor een op arbeidsdeling gebaseerde maatschappij en economie.

Anno 2007 is van het fenomeen dat grootmoedige mannen of vrouwen genereus hun verworven rijkdommen delen met minderbedeelden weinig te merken – een uitzondering daargelaten. De grote bedragen die bedrijven en particulieren spenderen aan sponsoring van kunst en sport zijn behalve fiscaal aftrekbaar ook nog eens vooral bedoeld als reclame en komen bovendien niet de minderbedeelden maar juist de beter bedeelden ten goede. Het is opvallend dat de veelverdieners en vermogenden van vandaag de lastige sociaal-economische integratie van migranten – de ‘sociale quaestie’ van nu – niet hebben aangegrepen om ervan te getuigen dat men, ondanks het harde werk, ondanks de vele uren die men in werk en bedrijf heeft gestoken, uiteindelijk geen eigenaar is van het eigen talent en dat men geen greep heeft op de omstandigheden waaronder dat talent heeft kunnen floreren. Nog opmerkelijker is het dat de christen-democratische en sociaal-democratische pleitbezorgers van normen en waarden zo terughoudend zijn in het aanspreken van veelverdieners op hun morele plicht tot grootmoedigheid.

Hoe dat zou moeten? Een mooi voorbeeld is de gift van Pieter Geelen, een van de oprichters van TomTom. Meteen na het bekend worden van de schenking laaide de discussie op of de schenker vooral uit was op eigen eer en glorie. Echter, de schenker getuigde precies van wat ik grootmoedigheid noem: de niet-neerbuigende generositeit die gebaseerd is op het besef van de kwetsbaarheid van het eigen geluk en de afhankelijkheid van anderen. En juist omdat die grootmoedigheid een verworven deugd is die past bij een grootmoedig karakter, is roem en erkenning er een gepaste betaling voor. Andere voorbeelden zijn de private financiering van het nieuwe kankerinstituut van de VU of de weekendschool IMC, die achtergestelde kinderen de kans biedt om hun wereldbeeld te verbreden.

Derhalve: nodig de vermogenden uit om hun plicht tot grootmoedigheid te vervullen en overlaadt hen met roem en erkenning, in plaats van hen jaloers hun recht op hoge inkomsten te ontzeggen. Dat kost minder en is waarschijnlijk een stuk effectiever dan het voortdurende politieke gekrakeel op basis van emoties en achterhaalde economische theorieën.

    • Ewald Engelen