Ons slordige geheugen

Hanny Roskamp

Foto Leo Knikman Knikman, Leo

Herinnert u zich de amateurvideo van de moord op Pim Fortuyn op 6 mei 2002? Weet u nog hoe de dader hem op dat moment met een paar harde knallen neerschoot?

Als u ‘ja’ antwoordt op deze vraag, is uw geheugen zo lek als een mandje. Deze beelden bestaan helemaal niet, er was geen toevallige passant die de misdaad vastlegde. Maar deze inkleuring van de werkelijkheid betekent niet dat u zich zorgen moet maken over uw geheugen. Het is meer regel dan uitzondering dat de menselijke herinnering steken laat vallen. Waarschijnlijk was het uw fantasie die een loopje met u nam. U heeft zich in uw hoofd een voorstelling gemaakt van wat er op die tragische dag heeft afgespeeld.

Dr. Marko Jelicic van de sectie Rechtspsychologie van de Universiteit Maastricht deed met zijn team onderzoek naar foutieve herinneringen. „Geef proefpersonen een woordenlijst bestaande uit de woorden wakker, dromen, bed, moe, deken. Laat ze er even naar kijken, haal het lijstje weg en vraag ze daarna of het woord ‘slapen’ ertussen zat. Meer dan de helft van de ondervraagden antwoord ‘ja’.” Er zijn veel meer onderzoeken gedaan die aantonen dat ons geheugen nogal slordig omspringt met de feiten. De groep van Jelicic is dieper ingegaan op het waarom hiervan. Een sterke fantasie van ooggetuigen kan een rol spelen, maar het is vooral de manier waarop een vraag wordt gesteld die ons geheugen op het verkeerde been zet. Onduidelijke en suggestieve formuleringen die voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, blijken deels debet aan de ‘foutieve herinneringen.’

amateurvideo

Een stellige formulering van de vraag kan iemand verleiden om zich te vergissen. Om dat te bewijzen stelde Jelicic en zijn team de vraag op vier verschillende manieren aan telkens dertig proefpersonen, 120 in totaal. Op de vraag ‘Heeft u de amateurvideo gezien van het neerschieten van Pim Fortuyn’ antwoordde 19 van de 30 ondervraagden (ruim zestig procent) bevestigend. Het gebruik van het woord ‘de’, suggereert dat zo’n video bestaat. De vraag is bovendien onduidelijk en voor meerdere interpretaties vatbaar. Dat verklaart het hoge percentage van mensen dat meent ‘de amateurvideo’ te hebben gezien. Daarom stelden de onderzoekers de vraag specifieker aan een tweede groep van 30 mensen: ‘Heeft u de amateurvideo gezien van het moment dat Fortuyn werd doodgeschoten door Volkert van der G.?’ Van deze groep meende nog maar 9 mensen (dertig procent) dat ze de video hadden gezien.

verontrustend

De volgende groep kreeg een minder suggestieve versie van deze vraag voorgelegd. ‘Heeft u een amateurvideo gezien van het moment dat Fortuyn werd doodgeschoten door Volkert van der G.?’ Opnieuw negen mensen meende zo’n filmpje gezien te hebben. De laatste groep kreeg de meest neutrale formulering. ‘Kunt u zich herinneren of er een video

bestaat van het moment dat Fortuyn werd neergeschoten door Volkert van der G.?’ Hierop antwoordde nog altijd 8 mensen bevestigend. De proefpersonen die meenden de video te hebben gezien, kregen naderhand de vraag om er zoveel mogelijk details van te beschrijven. Een ruime minderheid meende zich allerlei bijzonderheden te herinneren van de niet bestaande video.

Amusant misschien, maar ook verontrustend. De rechtspraak doet vaak een beroep op ooggetuigen en hun verklaringen wegen mee in veroordelingen. Schattingen over het aantal onterecht veroordeelden lopen uiteen van 0,5 tot 1 procent en er zijn verschillende gevallen bekend van veroordelingen op basis van foutieve getuigenverklaringen. In theorie is het mogelijk om de kwaliteit van ooggetuigen te testen maar zo'n test bestaat niet en is zelfs niet in ontwikkeling.

    • Hanny Roskamp