Literatuur als fopspeen

De historische Nederlandse letterkunde weet zich geen raad. Er zijn zoveel bewegingen en scholen tegelijkertijd manifest, dat er nauwelijks meer van één vak gesproken kan worden.

Editeurs, onderzoekers van oude drukken, kenners van oude handschriften, geschiedschrijvers, biografen, genre-onderzoekers, imitatio-onderzoekers, genderspecialisten, egodocumentenverzamelaars, motievengeleerden, vergelijkende literatuurwetenschappers, institutionele onderzoekers, vrije interpretatoren, ze zijn allemaal aan te wijzen in het handjevol docenten historische letterkunde dat aan de universiteiten van Nederland en Vlaanderen zijn invloed op de komende generaties uitoefent.

Die multidisciplinariteit heeft zeker te maken met het vak, dat een grote mate van vakbekwaamheid vereist. Men kan geen historische letterkunde beoefenen zonder geschoold te zijn in de lexicografie, de historische grammatica, de filologie, en vaak ook moet men veel weten van vroege boekdrukkunst en van handgeschreven bronnen, om nog maar te zwijgen van het Neolatijn en de archiefkunde.

Dit betekent dat er steeds opnieuw vakbekwame neerlandici opgeleid moeten worden die handschriften nauwkeurig kunnen uitgeven, de samenhang tussen bronnen kunnen uitzoeken, die de taal begrijpen. Hun kennis is breed en toch gespecialiseerd.

Maar de ouderwetse vakkundigheid boeit niet meer voldoende. De historisch-letterkundigen wijken uit naar andere gebieden. Er zijn vakgenoten die historische letterkunde beschouwen als een fopspeen. Het echte voedsel is de geschiedenis. Stil maar baby-lezer, lebber maar even aan de letterkundige speen, zo straks is het tijd voor de echte melk. Literatuur is de fopspeen van de geschiedenis, want daar gaat het eigenlijk om. De tekst is alleen maar belangrijk als tussenstap naar de context. De literatuur is dan slechts een middel om het eigenlijke doel te bereiken, namelijk het beschrijven van historische processen.

Nu is het beschrijven van historische processen met behulp van letterkunde natuurlijk erg interessant, maar dat letterkunde zijn eigen dynamiek heeft wordt dan wel eens over het hoofd gezien.

Sinds enige tijd huppelt er onder de literair-historici een nieuwe benadering rond die uit Amerika overgekomen is en die een nieuwe impuls zou kunnen geven aan de historische letterkunde. Het wondermiddel heet New-Historicism.

Woordvoerder is Stephen Greenblatt en zijn apostel in het Nederlands taalgebied is de Gentse hoogleraar Jurgen Pieters. Greenblatt heeft met zijn provocerende uitspraak dat hij ‘met de doden wilde spreken’ veel aandacht gekregen. Wat hij daarmee bedoelde, is dat het bij de historische letterkunde altijd om de confrontatie tussen heden en verleden gaat. In zijn ogen zijn literaire teksten dynamisch. Er is geen vastliggende betekenis, er is geen vastliggende context. Ze zijn voortdurend in beweging, want de onderzoeker is zelf onderdeel van de tekst die hij leest. De interpretator moet dus ook geen scheiding maken tussen enerzijds een gedicht of toneelstuk en anderzijds de maatschappij of de mentaliteit waarop de literatuur teruggebracht kan worden. Er is een voortdurende wisselwerking. In een literaire tekst resoneert het debat van een bepaalde tijd mee, en de tekst zelf oefent weer invloed uit op dat debat. En dit gaat door als de tekst opnieuw gelezen wordt. Greenblatt wil dan ook geen onderscheid maken tussen literaire teksten en andere bronnen uit het verleden. Alles klinkt mee: krantenartikelen, brochures, toespraken, schilderijen.

Ik geef een hedendaags voorbeeld. Maarten ’t Hart beschreef een paar dagen geleden in deze krant in een geestig stukje hoe hij op de markt gefeliciteerd werd. Op het journaal was gezegd dat hij de hoofdprijs gewonnen had – de kooplui verwarden hem met Biesheuvel en de Hooftprijs. ’t Hart vond het niet gepast om de vrolijke groenteman, kaasboer en vishandelaar tegen te spreken en op de vraag hoeveel hij dan gewonnen had – 60.000 euro – begon men hem meewarig te bekijken. Aan dit kleine verhaal zit een hel aan connotaties vast. In de eerste plaats de jaloezie, goedmoedig, maar toch! ’t Hart is heus niet de enige die meent dat hij ook wel eens de P.C.Hooftprijs had mogen krijgen. Waarom de vergeten Biesheuvel eerder? Alle stukjes die vooraf en achteraf over de toekenning geschreven zijn klinken mee, zeker ook de geruchten die vooraf gonsden over de vermoedelijke winnaar Grunberg. En de oude kwesties worden hoorbaar: Hermans die hem weigerde omdat hij het een flutbedrag vond, Brandt Corstius die hem niet kreeg omdat de minister van Cultuur hem te brutaal vond. De hele literaire-prijzen-discussie laait op. Met daarbij het lage bedrag van de hooggeschatte prijs. Die tot meewarigheid leidde omdat de marktkooplui vooral de extreme bedragen kennen van de postcodeloterij, dit jaar hoger dan ooit omdat er niet zoveel huizen stonden in de straat waar het eindejaarslot op viel. Dus ook die kwestie is aanwezig in het stukje van ’t Hart. En het moeizame bestaan van schrijvers die uit de gratie zijn, want de Biesheuveltjes kunnen de prijs wel gebruiken, schrijft ’t Hart. Dus is er ook een discussielijn te leggen naar het Fonds voor de Letteren, dat wel productieve schrijvers een maandgeld geeft, maar niet de uitgerangeerde. Bovendien ben ik zelf een onderdeel van de tekst, als lezer, omdat ik met de lezing van de tekst een positie kies, als deelnemer aan het veelstemmig debat.

Al deze facetten zou ik in acht moeten nemen als ik op de wijze van new-historicisten zou willen schrijven over het stukje van ’t Hart. Een heel orkest van niet-samenspelende muzikanten moet ik laten optreden in een geïmproviseerd concert.

Het lijkt duizelingwekkend, maar het is mogelijk omdat het new-historicism niet een volledige interpretatie van een tekst eist. Het tijdperk van het zoeken naar eenheid in een literaire tekst, en daar een samenhangend verhaal van maken, is voorbij. Kijk naar fragmenten, paragrafen, coupletten, en haal daar je stellingen uit, is het advies.

Zou het new-historicism de historische letterkunde uit de versnippering kunnen halen? Ik betwijfel het. Weliswaar kan er een enorme impuls van uitgaan, sterker, er gáát een grote impuls vanuit. Ook in Nederland beginnen studies te verschijnen over literatuur als dynamisch onderdeel van netwerken, debatten, denkpatronen. Maar de oude filologie blijft noodzakelijk als basis, voordat men zich in het vrije kan begeven. Wat me ook zorgen baart is hoe het typisch literaire in dit geheel verwerkt kan worden. Als ik even doorga op mijn metafoor van het ongedisciplineerd orkest: het is toch wel wat anders of de viool of de piccolo de boventoon voert. Literatuur is toch meer, of beter gezegd , anders dan een krantenstuk of een pamflet. Ze heeft meer overlevingskansen, meer vermogen langdurig in de dialoog te passen. Dat is een punt waar het new-historicism nog geen antwoord op heeft.

Het aardige is dat de oude hermeneutiek er eigenlijk weer mee in ere hersteld is. De beste new-historicist is degene die het meest erudiet de discoursen van een tijdperk herkent in een literaire tekst en de uitwerking ervan na kan speuren, zoals de beste hermeneut degene was die het meest de tijdgeest van een tekst kon navoelen. Wat dit alles voor gevolgen heeft voor de literatuurwetenschap is heel eenvoudig: de creativiteit van de lezende onderzoeker wordt weer aangesproken. Een decennium geleden was hermeneut in de wetenschap een scheldwoord. Nu zijn er weer vrolijke in plaats van beschaamde hermeneuten.

    • Marita Mathijsen