Het milieu is in, dankzij Al Gore

Het milieu speelde bij de afgelopen verkiezingen bijna geen rol. Maar daarna kwam het weer volop in de aandacht. De politiek moet het nu „een zetje” geven.

„Geen hond” kwam er ruim een jaar geleden opdagen, herinnert directeur Klaas van Egmond van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) zich. Eind 2005 presenteerde hij in het Haagse Nieuwspoort het rapport Effecten van Klimaatverandering in Nederland. Ons land moest serieus rekening houden met warme droge zomers, hevige buien en wateroverlast, luidde de boodschap. Het NOS-journaal nam nog wel een item op, maar het werd niet uitgezonden.

Hoe anders was het afgelopen donderdag. Terwijl buiten de storm loeide, zat hetzelfde Nieuwspoort „stampvol” bij de presentatie van de Staat van het Klimaat van MNP en KNMI. Een rapport dat volgens Van Egmond geen wezenlijk nieuwe inzichten biedt ten opzichte van een jaar geleden, toch is de aandacht ineens overweldigend: „Je bent al los voordat je Den Haag binnenrijdt.”

Het milieu is terug. Terug in de media, terug op de politieke agenda. In hun verklaringen voor de vrij plotselinge comeback leggen deskundigen verschillende accenten, maar één belangrijke factor noemen ze allemaal: Al Gore. De oud-vicepresident van de Verenigde Staten maakte vorig jaar de geruchtmakende documentaire An Inconvenient Truth over het broeikaseffect, smeltende ijskappen en overstromingen. „Die film heeft echt wat losgemaakt”, zegt Kees Aarts, hoogleraar politicologie in Twente.

Begin oktober was Gore in Nederland om zijn film te tonen. Sindsdien buitelen de petities over elkaar heen. De film inspireerde de premiers Blair en Balkenende tot een brief aan andere Europese regeringsleiders waarin ze pleiten voor het terugdringing van broeikasgassen, voordat het te laat is. Twee maanden later volgden dertig Nederlandse topondernemers met een oproep tot serieuze milieumaatregelen. En daartussendoor publiceerde de voormalige Wereldbank-econoom Nicholas Stern een onderzoek waaruit bleek dat milieu-investeringen niet alleen noodzakelijk zijn, maar zich op langere termijn ook zullen terugverdienen. „Dat werd nu voor het eerst ook vanuit economische hoek zo duidelijk gezegd”, aldus Klaas van Egmond.

Volgens Pieter Winsemius – minister van Milieu tussen 1982 en 1986 en nu weer terug op het departement, maar nu zonder milieu in zijn portefeuille – is de tijd weer rijp voor een opleving. „Iedereen weet zo langzamerhand wel van de klimaatveranderingen, het moest zich alleen nog uitkristalliseren.” Of er een verband bestaat met milieuverontreiniging is niet bewezen, maar de deskundigen vermoeden wel dat de hete zomer en de extreem zachte winter een rol spelen bij de omslag. Van Egmond: „Mensen zien dat de natuur van slag is. Ze praten erover, het maakt ze ongerust.”

Opmerkelijk is echter dat milieu bij de verkiezingen van november nauwelijks nog een rol speelde. Balkenende schreef zijn brief in verkiezingstijd, maar een verkiezingsthema is het nooit geworden. Er bestond overeenstemming, de meeste partijen willen broeikasgassen terugdringen. „De comeback is van na de verkiezingen”, zegt Jan Kleinnijenhuis, hoogleraar massacommunicatie aan de VU. Hij schetst dat tijdens de laatste campagne de aandacht in dagbladen en tv-journaals voor feitelijke milieuontwikkelingen ongeveer 5 procent was van het totaal, een procent minder dan in 2003 en 3 procent lager dan in 2002. Onderzoeken naar publieke opinie laten hetzelfde zien: de campagne van 2006 lijkt het dieptepunt van al vele jaren tanende belangstelling voor het milieu. De opleving direct daarna is zo recent dat onderzoekers ze nog niet in cijfers hebben weten te vangen.

Belangstelling voor milieu komt en gaat in golven. Begin jaren zeventig en eind jaren tachtig waren ook periodes dat milieuvervuiling in het middelpunt van de publieke en politieke belangstelling stond, om vervolgens weer ver weg te zakken (zie grafiek). Milieuhistoricus Wybren Verstegen van de VU ziet parallellen met nu: in 1971 betekende het rapport van De Club van Rome een belangrijke katalysator voor milieubewustzijn dat al groeiende was. Daarin werd heel nadrukkelijk een verband gelegd tussen economische groei en milieugevolgen. In 1987 rapporteerde de voormalige Noorse premier Brundlandt voor de VN over het broeikaseffect en het gat in de ozonlaag.

Maar de aandacht verdampte na verloop van tijd ook weer. „Na opkomst van een probleem, kunnen er twee dingen gebeuren”, zegt Paul Dekker van het Sociaal en Cultureel Planbureau. „Of het wordt opgelost en verdwijnt uit de aandacht. Of het wordt niet opgelost, en dan verdwijnt het na verloop van tijd ook. Oude problemen worden verdrongen door nieuwe.”

Of het milieu daar erg onder lijdt, is de vraag. „Toen ik in 1982 minister werd waren we toch een beetje een zooitje ongeregeld”, zegt Winsemius. „Nu is het allemaal veel beter geregeld. Zure regen was in mijn tijd probleem nummer één. Dat is opgelost. Bodemverontreiniging zo goed als.” Ook wijst hij erop dat in de tien jaar dat hij vanaf 1988 voorzitter was van Natuurmonumenten het ledental meer dan verdrievoudigde naar 930.000. Dat ging rechtstreeks in tegen de aandachtsgrafiek.

Toch zijn er voor de golfbewegingen diepere oorzaken aan te wijzen, zegt historicus Verstegen. „De laatste tweeënhalve eeuw zijn er telkens periodes geweest dat de samenleving tegen haar eigen grenzen opliep. Periodes dat grondstoffen opraken en er tegelijk zorgen ontstaan over het milieu.” Ook de aantrekkende economie speelt volgens hem een rol. „Het is geen wet van Meden en Perzen, maar in een recessie krijgt werkgelegenheid prioriteit en bij een opleving van de economie ontstaat vaak aandacht voor het milieu.” Nodig bleken altijd investeringen in nieuwe schonere brandstoffen, die schaarste en vervuiling konden opheffen. Ook nu weer. „Het is aan de politiek om daaraan een zetje te geven.”

    • Jaco Alberts