Een vraag stellen? Eerst langs bij het clusterhoofd

Elke keer als er verkiezingen zijn geweest, moeten de fracties in de Kamer hun nieuwe leden leren hoe het parlementaire werk verloopt. Op bezoek in de klasjes van PvdA en CDA.

Het klasje van de PvdA-fractie komt in totaal dertien keer bijeen. Ook oud-Kamerleden komen langs om de nieuwe parlementariërs de kneepjes van het vak bij te brengen. Foto’s Roel Rozenburg Den Haag:17.1.7 'Klasje' PvdA. © foto/Roel Rozenburg nieuwe kamerleden schrijven Rozenburg, Roel

Fractie-oudste Wim van de Camp (CDA) pakt een stapeltje papier, zet de microfoon op zijn tafel aan en begint te praten terwijl hij met het papier tegen de microfoon schuurt. Het lawaai is oorverdovend, hij is nauwelijks te verstaan. De acht aanwezige nieuwe Kamerleden deinzen naar achteren. Van de Camp: „Les één: nooit papier meenemen naar de interruptiemicrofoon, dat is zó zielig als je in een debat zit.”

Het is donderdagmiddag even na vier uur en Van de Camp is bezig met zijn wekelijkse ‘klasje’, de cursus voor nieuwe Kamerleden. In de immense fractiekamer van het CDA zitten de nieuwkomers dicht opeen aan de meterslange tafel.

Van de Camp doceert: „Als je wilt politiseren, kun je na een algemeen overleg een verslag daarvan aanvragen.” Dat betekent dat een Kamerlid plenair een motie kan indienen en dat dus de hele Tweede Kamer zich over een kwestie moet uitspreken. „Zo’n verslag aanvragen doe je meestal aan het eind van het overleg, zodat je collega’s dat weten. Anders is het een beetje matennaaierig.” De nieuwelingen knikken begrijpend. „Maar”, vervolgt Van de Camp, „stel nou dat het Brabants Dagblad de volgende ochtend dat onderwerp helemaal oppijpt, en jij bent Kamerlid uit Brabant, dan kun je alsnog een verslag aanvragen. Dan kun je er alsnog plenair een vervolg aan geven. Wij zijn over het algemeen wat netter, beleefder, terughoudender. Te soft soms.”

Een dag eerder zitten Staf Depla en Mariëtte Hamer (PvdA) met tien nieuwelingen in de PvdA-fractiekamer. Depla geeft een lesje ‘hoe word ik een rat voor gevorderden’, volgens een van de cursisten. „Als je wilt voorkomen dat een mondelinge vraag gesteld wordt over een bepaald onderwerp, dan kondig je hem aan bij de griffie, en dan trek je hem op het allerlaatste moment weer in”, zegt Depla. Hamer, bestraffend: „Dat is niet helemaal aan te bevelen, want voor je het weet geeft de voorzitter de vraag dan alsnog door aan de tweede op de lijst.”

Bij de verkiezingen kwamen er zestig nieuwe Kamerleden. De Tweede Kamer zelf geeft hen les over onder meer de huisregels en ondersteunende diensten. In de fractieklasjes leren de nieuwelingen hoe hun partij politiek bedrijft.

Bij de SP leidt Agnes Kant elke week een klas met de 17 nieuwkomers. De SP is al twee jaar met hen bezig, vertelt ze. De partij begeleidt high potentials zodat ze goed voorbereid in bestuursfuncties komen. „We leren ze veel over onze standpunten, maar ook over de organisatie, want het gaat bij ons niet doorsnee.” Bij de SP heerst een kadaverdiscipline.

De uitslag van 22 november was niet zo ingrijpend als die van 2003. Toen hadden 88 Kamerleden minder dan een jaar ervaring. De CDA-fractie alleen al, met 44 zetels, telde 33 nieuwkomers. Daarom is het CDA begonnen met het klasje, daarvoor was er individuele coaching.

Een Kamerlid is geen eenmansbedrijf. Zeker bij grotere fracties is er een dwingend systeem van fiattering en interne controle om beginnersfouten te voorkomen. Een PvdA’er die een vraag wil stellen, moet toestemming krijgen van zijn clusterhoofd. Daarna controleert een fractiemedewerker de vraag en verspreidt deze verder. Ook bij het CDA spelen secretaris en ondersteunend personeel een belangrijke rol.

De klasjes van PvdA en CDA zijn verplicht. Het CDA heeft het programma tot en met juni gevuld met ‘senang-gesprekken’ (functioneringsgesprekken met de fractievoorzitter), het reglement van orde, het vergaderschema en de ‘groentjes’ (de weekagenda’s van de commissies). „Ik lees in het weekend alle groentjes, dat is mijn hobby”, aldus Van de Camp.

Bij de PvdA komt de klas dertien keer bijeen. Het regeerakkoord, de gang van een wetsvoorstel en de meerwaarde van een parlementaire enquête of onderzoek komen aan bod. De PvdA haalt daarvoor ook oud-Kamerleden van stal, zoals wethouder Duivesteijn van Almere en oud-Kamervoorzitter Van Nieuwenhoven.

De nieuwkomers stellen overal vragen over. Bij het CDA willen ze weten wanneer de laptops er zijn en wanneer ze thuis op het Kamersysteem aangesloten zijn. Bij de PvdA legt Depla uit dat versnippering het grootste gevaar is: „Als je niet oppast wordt je geleefd door de agenda. Een Kamerlid moet zorgen dat-ie zich daaraan ontworstelt.”

Zo klassikaal en hiërarchisch als CDA en PvdA het doen, zo à l’improviste doet de Partij voor de Vrijheid het. Geert Wilders kreeg er in één klap acht fractieleden bij, „en ze hebben bijna allemaal al hun maidenspeech gehad”. Wilders vertelt dat hij nu zo’n 80 procent van zijn tijd bezig is met de scholing en begeleiding. „Mijn mensen hebben vaak al wel politieke, maar geen parlementaire ervaring.” Hij geeft vooral één-op-éénadviezen.

Wilders zat voorheen bij de VVD. Daar was ook een klasje, maar de nieuwe leden kregen ook een mentor. „Ik ben nog de mentor van Mark Rutte geweest, maar daar willen we allebei niet meer aan herinnerd worden”, lacht Wilders. Wilders begon al vroeg in 2006 met inhoudelijke scholing. De fractie is volgens Wilders „een hecht team”: „Bij ons heb je niet dat gedoe over de portefeuilleverdeling, zoals in grotere fracties.”

De verdeling van de buit is vaak een probleem, erkennen PvdA en CDA. Voormalig VVD-fractieleider Van Aartsen zei eens dat de ideale fractieomvang rond de 27 zetels ligt: dan kom je niet in elkaars vaarwater. Kamerleden moeten hun portefeuille in het begin goed in de gaten houden. De PvdA ten tijde van Ad Melkert (1998-2002) was berucht om de interne conflicten. Kamerlid Depla tegen het klasje: „Die flauwekul over de volgorde van de namen onder een schriftelijke vraag wil ik nooit van jullie horen. Wie daar een probleem mee heeft, moet zich maar eens goed afvragen waarom-ie in de politiek is gegaan.”

Bij het CDA, terwijl buiten de storm raast, legt Van de Camp uit dat iedereen er op dinsdag, woensdag en donderdag moet zijn. „En wie ’s avonds in de problemen komt en geen slaapplaats heeft, kan met Cecilia (CDA-fractiemedewerkster, red.) bellen. Maar ik geloof dat jullie allemaal al een onderkomen hebben, of is er iemand met een acuut probleem?” Even is het stil. Dan zegt een van de nieuwkomers, met een voorzichtige blik naar buiten: „Eh, misschien voor vanavond?”

    • Egbert Kalse
    • Harm van den Berg