Een Mexicaan uit Marokko

Brabantse Toos trouwde vijfenveertig jaar geleden met Omar, een van de eerste gastarbeiders uit Marokko. Observaties van een rondtrekkend filmmaker.

Moskee in Casablanca Foto AFP Morocco, Casablanca, Hassan II mosque hemis.fr

‘Voor de gelegenheid maak ik Marokkaanse soep, maar voor de rest is het Hollandse pot hoor, hier in huis.” Toos (68) staat te koken. Vandaag komen haar broers en zussen langs voor een familie-reünie. De bleke kikkererwten voor de soep staan al sinds gisterochtend in een pannetje te wellen. Echtgenoot Omar (67) schenkt de glazen op de eettafel vast in en pakt de toastjes uit. „We zijn precies 45 jaar bij elkaar”, roept Toos. „Jullie eten straks toch ook wel soep?”

Voor een serie familieportretten van grote naoorlogse gezinnen bezoek ik mensen die nog meegemaakt hebben dat de eerste gastarbeiders in ons land arriveerden en relaties met hen hebben aangeknoopt. Toos weet daar alles van.

Het was een romantische avond geweest, in 1961. Toos was met een vriendin uit Tilburg naar Eindhoven afgereisd om uit te gaan in een grote danstent. Meteen bij binnenkomst zag ze hem staan. Een knappe donkere man en daar viel ze altijd al op. Omar vroeg haar ten dans en samen brachten ze de avond door. Hij vertelde haar dat hij Mexicaan was, maar van echt praten kwam het die avond niet. „Met handen en voeten kom je een heel eind, hoor, als het moet”, is wat Toos er nog van weet. Op het Eindhovense Station nam hij afscheid van haar. Thuisgekomen vertelde ze haar ouders dat ze verliefd was op een knappe Mexicaan. „Droeg hij een sombrero?”, was de reactie van een zus geweest. Toen ze na een paar maanden zwanger van Omar raakte, wist Toos zeker dat ze met hém wilde trouwen.

„We waren nog nooit in het buitenland geweest en wisten ook eigenlijk helemaal niet wat dat was, een buitenlander, wat daar de gevolgen van waren bedoel ik dan, hè” zegt Toos’ ene zus. „Ja, en nu wel”, zegt de andere en ze turen door het raam naar buiten naar de binnenplaats waar Omar staat te lachen om een mop die zijn zwager hem vertelt. Het koude jaargetij en de Brabantse directheid lijken een groot contrast met een Marokkaanse achtergrond. De zussen weten nog goed hoe de familie in rep en roer was wegens het feit dat niemand contact kon maken met Omar. „Alleen met handen en voeten kwam onze Toos een eind met hem, maar hij kwam over als een aardige knul. En hij was heel knap.”

„De soep is klaar!” roept Toos vanuit de keuken. Omar helpt met de soepkoppen. Bij de voordeur spreken broer Harry en echtgenote Diny me aan. Harry was indertijd frater in een priesterorde. Zijn moeder kwam hem daar op een ochtend opzoeken om te vertellen over de problemen thuis. Zus Toos verliefd op een man met wie niemand kon praten en die ook een ander geloof had. Gelukkig kende Harry via via een oude geestelijke die Arabisch sprak. Toen deze pater naar de familie was afgereisd om met Omar te praten, had het hele gezin er omheen gezeten en geprobeerd te ontcijferen waar het gesprek over ging en wie Omar eigenlijk was. „Af en toe schoot de geestelijke behoorlijk uit zijn slof”, zegt Harry. „Want hij had ons Toosje toch ook zwanger gemaakt.” De ontmoeting had diepe indruk gemaakt op de familie: erna werd besloten dat Toos en Omar mochten trouwen. „Het leven zit vol ingewikkelde keuzes en je weet niet altijd wat zich op je pad aandient.” Harry trad later uit de priesterorde en trouwde met een ex-non. Ook hij koos niet voor de makkelijkste optie.

„Een jongen uit de kaalgevroten bergen van Marokko klinkt toch minder romantisch dan een Mexicaan” zegt Omar. „Ik was pas kort daarvoor in Eindhoven terechtgekomen en wist niet hoe de Hollanders dachten over mij.” Vandaar het Mexicaanse leugentje. „Heb jij veel buitenlandse vrienden? Ken je veel Marokkanen?”, vraagt-ie. „Nee”, zeg ik een beetje gegeneerd. „Ik ken ook geen Turken of Polen.” De enige keer dat ik Marokko bezocht, was toen ik met een Brabantse vrouw meeging naar een vieze gevangenis in Cassablanca waar een Nederlandse vrachtwagenchauffer ‘ten onrechte’ vastzat voor drugssmokkel. „Een mooie stad” mompel ik tegen Omar, „en een prachtige moskee.” Maar Omar komt van het platteland en Cassablanca bezocht hij pas veel later, als toerist.

„Je merkt er eigenlijk helemaal niks meer van dat-ie Marokkaans is”, zegt een schoonzus. „Hij heeft altijd hard gewerkt voor ons Toos en het hele gezin.” Omar lacht.

Al 45 jaar klaagt Omar niet. Soms maakt hij couscous of tajine en ook met het Suikerfeest trekt hij er nog wel eens op uit, maar met Kerst zit-ie gewoon naast Toos in de nachtmis. Met haar bezocht hij ook een paar keer Marokko. „Om mij te laten zien waar ie vandaan kwam, hè, en om zijn moeder te ontmoeten”, meldt Toos.

„’t Is een mooie stad hoor, Cassablanca. Moesten jullie nou ook entree betalen voor die moskee? Omdat Omar Marokaan is mocht ik, als zijn vrouw, gratis naar binnen! Mooi hè!”

Omar heeft zich aangepast aan zijn Brabantse familie en hun vanzelfsprekende liefde. Alleen met het ouder worden komt ook de vraag waar hij begraven moet worden. Naast Toos, op een katholieke begraafplaats kan niet voor een islamiet. „Marokko zou erg mooi zijn, maar dat is heel moeilijk, want wat moet Toos dan?” Hij is er nog niet uit.

    • Michiel van Erp