De Sadrs zitten van oudsher al op de activistische lijn

Onder Amerikaanse druk moet de Iraakse regering ernst maken met het uitroeien van milities en doodseskaders. Gaat premier Maliki nu wel de strijd aan met het ‘Leger van de Mahdi’ van de shi’itische leider Muqtada Sadr?

Rotterdam, 20 jan. - „Muqtada, Muqtada, Muqtada!” riepen aanwezigen vorige maand bij de executie van Saddam Hussein. „Muqtada? Is dit wat we moeten verwachten?” reageerde Saddam, momenten voor zijn dood.

De radicale, fel anti-Amerikaanse shi’itische geestelijke Muqtada Sadr (32) stelde ten tijde van de val van Saddam Husseins seculiere regime in april 2003 helemaal niets voor, zelfs niet onder medegeestelijken. Nog geen vier jaar later heeft hij Al-Qaeda-in-Irak vervangen als „de gevaarlijkste motor” van het sektarisch geweld in Irak, volgens het laatste verslag aan het Congres over Irak van het Amerikaanse ministerie van Defensie (18 december). Zijn Leger van de Mahdi (Jaish al-Mahdi), dat hij pas maanden na Saddams omverwerping oprichtte, is nu tienduizenden, misschien 100.000 manschappen sterk en wordt algemeen beschouwd als veruit de gewelddadigste van de shi’itische en sunnitische strijdgroepen die in Irak actief zijn. De militie die moet worden getemd wil er van Irak nog iets terechtkomen.

Maar hij is ook een politieke factor van belang: dertig van de 128 parlementsleden van de dominante shi’itische alliantie (op de in totaal 275) en drie ministers komen uit zijn stal. Zijn stem gaf in april de doorslag bij de nominatie van Nouri al-Maliki als premier door de shi’itische alliantie. Daarom kwam Maliki ook meer dan eens in actie om een Amerikaans offensief tegen zijn Leger van de Mahdi te stoppen.

Als geestelijke stelt hij nog steeds niet veel voor. Maar hij is wél is de held van de shi’itische onderklasse.

Voor een deel dankt hij dat aan de grote populariteit en het religieuze gezag van zijn in 1999 door Saddam vermoorde vader, grootayatollah Mohammed Sadiq al-Sadr. Voor het resterende deel heeft hij naam gemaakt door zijn inspanningen om de allerarmsten te helpen – net zoals de moslimfundamentalistische groepen Hezbollah in Libanon, Hamas bij de Palestijnen en de Moslimbroederschap in Egypte een groot deel van hun aanhang aan hun sociale werk te danken hebben, dat de regeringen laten liggen.

Zijn beweging is in zekere zin een sociale emancipatiebeweging. Zijn ministers passen daarbij: hij koos bijvoorbeeld voor Volksgezondheid, waarmee hij kan scoren, niet voor zware posten als Binnenlandse Zaken die alleen problemen opleveren. Maar ook zijn keiharde en compromisloze verzet tegen de Amerikaanse aanwezigheid maakt hem geliefd.

De shi’itische burgerij, de handelselite en de traditionele geestelijkheid moeten niets van hem hebben. Hij is niet in hun belang. Het religieuze establishment van grootayatollah Ali Sistani bekommert zich om het dagelijks welzijn van de volgelingen, maar ziet geen politieke rol – anders dan een waarschuwend woord en advies hier of daar – voor zich weggelegd. De Sadrs, Muqtada, zijn vader Mohammed Sadiq en zijn oom en schoonvader Mohammed Baqir, die in 1980 door Saddam werd vermoord, zitten op de activistische lijn van de Iraanse ayatollah Khomeiny. Volgens hun visie zijn de politieke leiders ondergeschikt aan een opperste geestelijk leider die God op aarde vertegenwoordigt.

Dit maakt Muqtada Sadr overigens niet tot speciale vriend van de islamitische republiek Iran, al zou hij wel een Iraanse subisidie accepteren. Hij is een fervent nationalist die in tegenstelling tot het shi’itische establishment ook niets ziet in een federaal Irak met een vergaand autonoom shi’itisch deel.

In 2003 en 2004 deden de Amerikaanse autoriteiten halfslachtige pogingen om de verschillende Iraakse milities te ontbinden. De gewapende strijdgroepen – behalve Sadrs anarchistische verzameling straatvechters, met name ook de in Iran getrainde en bewapende Badr-militie van de machtige SCIRI-partij – gingen niet samen met de beoogde democratie, betoogde de Amerikaanse civiele bestuurder Paul Bremer. „Uiteindelijk kan Irak niet veilig, vrij en verenigd zijn als mensen gewapende milities kunnen stichten en de wetten van het land naar eigen believen kunnen uitleggen”, zei hij in april 2004. „Daarom moeten alle gewapende elementen onder controle staan van de centrale regering, niet alleen nu, maar onder de volgende regering en de volgende en de volgende.”

Toen was Bremer al verwikkeld in een felle gewapende strijd tegen Muqtada Sadr – een „islamitische facist” volgens Bremer in een televisievraaggesprek, „die Saddam goed heeft bestudeerd” – en zijn gewapende aanhang. Die was in maart 2004 in de aanval gegaan nadat de Amerikanen zijn fel-anti-Amerikaanse krant Al-Hawza wegens opruiïng („De Amerikanen zijn de nieuwe Saddam”) hadden verboden. Het Leger van de Mahdi overweldigde verscheidene shi’itische steden. De strijd eindigde in een compromis; Sadr haalde zijn manschappen van straat en beloofde zijn wapens in te leveren – wat hij niet deed. Zijn medewerkers en hij beseften hoe groot het gevaar was dat van Muqtada Sadr uitging, zei Bremer later. Maar het Pentagon, het korps mariniers, het leger en de CIA durfden niet de confrontatie met hem aan te gaan uit angst dat dit zijn populariteit nog zou vergroten.

Muqtada Sadrs belangrijkste bolwerken zijn met name de grote Bagdadse sloppenwijk (3 miljoen inwoners) die vroeger Saddam City heette en in april 2003 meteen Sadr City werd, de stad Kufa bij de heilige stad Najaf en de arme plattelandsbevolking van de provincie Maysan. De in het zwart geklede manschappen van het Leger van de Mahdi dat zich na zijn grote offensief van 2004 relatief koest had gehouden, gingen in februari vorig jaar massaal in de aanval na de aan sunnitische extremisten toegeschreven aanslag op de Gouden moskee in Samarra, een van de belangrijkste shi’itische heiligdommen. Honderden sunnieten werden door hen gedood. Sindsdien is het moorden niet meer opgehouden.

Muqtada Sadr zegt dat zijn mannen alleen tegen sunnitische extremisten in actie komen. Maar sunnitische burgers en het Amerikaanse leger weten wel beter. Volgens hen is het Leger van de Mahdi de grote gangmaker achter de religieuze zuiveringen die sinds verscheidene maanden worden uitgevoerd in Bagdad. The New York Times schreef eind vorige maand dat zeker tien wijken die een jaar geleden nog gemengd waren nu shi’itisch zijn gemaakt. In de woningen waarvan de sunnitische eigenaars zijn vermoord of door bedreigingen zijn verdreven wonen nu shi’ieten die door sunnieten uit hun woningen in andere delen van het land zijn verjaagd. Het overwegend shi’itische Iraakse leger doet niet veel meer dan toekijken. Het Leger van de Mahdi beschermt de nieuwe shi’itische wijken en voert er zijn islamitische normen en waarden door, wat tot en met het verminken en vermoorden van (vermeende) overspeligen reikt.

Zoals de Badr-brigade de elite-eenheden van de politiek heeft geïnfiltreerd, zo bevolken Muqtada Sadrs manschappen de lagere politiediensten. Dit zijn de geüniformeerde daders van bijvoorbeeld de massa-ontvoering uit het – sunnitische – ministerie van Hoger Onderwijs. In het shi’itische zuiden vechten de Badr, het Leger van de Mahdi en de militie van de Fadhila partij een onderlinge machtsstrijd uit.