De maakbare samenleving ligt in Azië

Wat in Nederland met horten en stoten gaat, doet Singapore voortvarend. Een oase voor biomedische onderzoekers aanleggen, die in de autoritaire stadstaat hun gang kunnen gaan.

Het lab van het Zwitserse Novartis in Biopolis. Foto AP A medical assistant works in the new Novartis Insitiute for Tropical Diseases in Singapore, Sunday, July 4, 2004. Novartis opened Monday, July 5, the Novartis Instiute for Tropical Diseases in Singapore's new Biopolis research facilitiy. It is a non-profit inititaive in drug discovery for neglected diseases. (Photo/KeystoneE/Markus Stuecklin) Associated Press

Ondergronds zitten hier 250.000 muizen, bovengronds staat voor het stafpersoneel een lichte salade van inktvis op het lunchmenu. De vrouw van David Lane eet een hapje, samen met Urban Lendahl – toppers in de wereld van de ontwikkelingsbiologie. Een eindje verderop zit Alan Colman, de man die internationale bekendheid kreeg door het eerste gekloonde schaap, Dolly.

Colman kloont geen schapen meer. Hij zit hier voor zaken. In Engeland kreeg hij geen financiële steun voor zijn onderzoek naar diabetes, hier wel. Met steun uit de staatskas van Singapore en enkele Australische beleggers begon hij het bedrijfje ES Cell. Hij verkoopt sinds kort stamcellen van embryo’s voor onderzoekers elders, ongeveer 5.000 euro per flesje, via internet te bestellen. En daarmee hoopt hij dan weer voldoende te verdienen om genetisch onderzoek naar diabetes en kanker te bekostigen. In Engeland of Amerika kreeg hij het geld niet – daar wilden ze alleen snel geld verdienen, zo mopperde hij destijds bij zijn verhuizing naar Singapore. Nu heeft hij het zelfs over een beursgang, al oogt dat nogal prematuur.

Biopolis heet deze sciencefictionachtige campus voor biomedische wetenschappen, voor onderzoek en ontwikkeling. Met gebouwen die Neuros, Immunos, Nanos of Chromos heten – een complex dat aan de rand van Singapore in enkele jaren tijd uit de grond is gestampt, simpelweg omdat de overheid van deze Aziatische stadsstaat had besloten het nieuwe biomedische centrum van Azië te willen worden, en er vervolgens het ene na het andere miljard in heeft gestopt. 1.200 onderzoekers zitten er inmiddels.

Ruim vijf jaar zijn ze nu in Singapore bezig. In zekere zin logenstraffen ze een westerse wijsheid van de laatste 25 jaar dat een overheid zoiets moet laten, omdat alleen het vrije spel der economische krachten winnaars voortbrengt. Althans dat proberen ze te logenstraffen, en het zou hun ook nog weleens kunnen lukken.

De nieuwe directeur van het project, tevens hoge ambtenaar van de prestigieuze Raad voor de Economische Ontwikkeling, dr. Beh Swan Gin (39), twijfelt in zijn tussenbalans geen seconde: „Wij zijn er nog niet, maar we hebben inmiddels voldoende kritische massa om het vliegwiel te laten draaien. Industrieën geloven in ons en hebben hier laboratoria opgezet, universiteiten van buiten beginnen hier met vestigingen en wij beginnen nu ook de eerste eigen kweek te krijgen.”

Singapore had in deze branche tevoren weinig te bieden en dus werden honderden jonge studenten voor een promotieonderzoek naar ’s werelds beste universiteiten gestuurd. Op kosten van de staat, maar op voorwaarde van een dienstverband van zes jaren in en nabij Biopolis daarna. De eerste 100 zijn nu terug, 600 zijn nog bezig. Beh Swan Gin: „Zij worden de leiders van de volgende generatie, het is hoge kwaliteit.” Zolang ze in het buitenland studeren, krijgen de ouders een kleine toelage. Immers, ze missen dan de inkomsten die het kind anders met werken had verdiend en volgens goed gebruik nog wordt afgedragen thuis.

Singapore investeerde in de jaren zeventig en tachtig in de elektronica, daarna kwamen de chemie en de farmaceutische industrie. Maar dit eiland van autoritaire bestuurders, van veiligheid, goed geplande welvaart en dadendrang dreigde door de opening van de lagelonenlanden in de regio de voorsprong kwijt te raken. Analyse van de situatie leerde dat er iets nieuws moest komen dat kennisintensief was en waarbij geprofiteerd kon worden van de groeiende welvaart in de regio. Het werd de biomedische sector: kanker, diabetes, Alzheimer, Parkinson, tropische ziekten, maar ook stamcelonderzoek en andere verkenningen in de wereld van de regeneratieve geneeskunde.

Kan een overheid zo’n keuze maken?

Volgens Beh Swan Gin, zelf arts en bedrijfskundige, doen ze dat in Azië allemaal: „Japan deed het, Zuid-Korea deed het, Taiwan deed het. Bovendien, als we in een kleine stadstaat als de onze (4,3 miljoen inwoners) zoiets niet regisseren dan komt er niets van de grond, want om duizend bloemen te laten bloeien en dan maar te kijken wat beklijft, zijn we gewoon te klein.” Het is de maakbare samenleving in de praktijk.

Ze hadden ook een beetje geluk. Ethische bezwaren tegen stamcelonderzoek in de westerse wereld, vooral onder president Bush in de VS, gaven Singapore de kans om wetenschappers juist wél alle ruimte te geven en een verschil te maken (zie: ‘Stamcelonderzoek’). Voor het beroemde onderzoeksechtpaar Neal Copeland en Nancy Jenkins van het Nationaal Kanker Instituut in Maryland was het voortdurende gedoe met politiek en budgetten de reden om naar Biopolis te verhuizen. Zij hebben hun huis in Maryland verkocht, zijn lid geworden van de Amerikaanse club en onlangs aan de slag gegaan. Hij: „Wij wilden in een omgeving werken waar iedereen enthousiast is over de wetenschap en waar de dingen vooruitgaan.”

Hun baas is de Engelsman Sir David Lane, directeur van het Instituut voor moleculaire biologie, en hij zit met zijn vrouw al drie jaar in Singapore. Lane maakte in de wereld van het kankeronderzoek faam met de ontdekking van een kankerremmend gen, p53 genaamd. Zijn vrouw Birgitte doet ook kankeronderzoek.

Doet David Lane (54) niet een beetje denken aan een voetbaltrainer die van zijn rijke baas maar eenvoudigweg overal in de wereld de sterren kan wegkopen?

„Beetje wel”, zegt deze informele causeur in zijn keurige directiekamer, „maar onze branche is ook los hiervan echt een mondiale sector geworden de laatste jaren. Wetenschappers verhuizen over de hele wereld. De meeste wetenschappers komen gewoon hierheen omdat ze hier gemakkelijk kunnen werken. Stel je eens even voor wat voor tijd een mens in Europa of Amerika kwijt is om onderzoeksvoorstellen te schrijven, te herschrijven, de middelen bij elkaar te schrapen.

„Hier is het zo dat als ik een briljante man of vrouw zie met een plan, we meteen beginnen en dan heb ik zo een stuk of tien laboranten ter beschikking. Ik werk met een internationale adviesraad om te toetsen, Singapore levert de financiën en we kunnen aan de slag.

„En vergeet niet dat het hier ideaal is voor een jong wetenschapsechtpaar met kinderen, veilig, goede scholen, Engels als voertaal, en een vaste hulp in de huishouding is spotgoedkoop. En als je er eens uit wilt, vlieg je vanuit Singapore elke dag naar elke plek in de wereld.”

Lane is gefascineerd door de manier waarop de Singaporese overheid het project heeft gepland en successievelijk uitvoert: „Het is Singapore Incorporated ten voeten uit, met ambtenaren die zelf bedrijven hebben geleid en de materie kennen, en met strakke discipline. De eerste lichting Singaporese wetenschappers die na hun opleiding zijn teruggekeerd uit het buitenland zijn werkelijk heel goed. Je ruikt gewoon dat die jongelui straks opdrachten gaan krijgen voor commercieel onderzoek. Ik heb soms het idee dat ik hier iets meemaak zoals vijftien jaar geleden in Finland toen ze Nokia opnieuw uitvonden.”

Vijf jaar na de opening werken er weliswaar veel onderzoekers uit alle werelddelen op de campus van Biopolis. Maar laboratoria van grote bedrijven zijn nog op één hand te tellen. Farmagigant GlaxoSmithKline is onlangs in gebouw Neuros getrokken en doet er onderzoek naar Alzheimer, de Zwitserse firma Novartis onderzoekt tropische ziekten. De beroemde Harvardgoeroe Michael Porter, die veel onderzoek deed naar ontstaan en groei van industriële clusters in de wereld, was onlangs in de stad. Hij had eens gekeken hoe lang biomedische centra in Amerika erover hadden gedaan om tot wasdom te komen en dat was in Singapore even schrikken: 35 jaar. Bovendien, zo had hij twee jaar eerder al geschreven, „gaat het niet zo goed wanneer de overheid zich er te veel mee bemoeit”.

Inmiddels zijn ze op Biopolis van de schrik bekomen en gelooft niemand Porter nog. Zoals een landgenoot van hem op de campus, kankerspecialist Edison Liu, het formuleert: „De tijdslijnen lopen in Azië heel anders, de groei hier is ongekend, de communicatie is onvergelijkbaar met de tijd die Porter onderzocht.” Men heeft het er, zo blijkt overal op de campus, uitvoerig over gehad en heeft elkaar gevonden in de vaststelling dat we in een snellere tijd leven en dat Porter met zijn 35 jaar ongeveer 50 procent te pessimistisch is.

En wat de bemoeienis van de overheid betreft, David Lane: „Ze hebben hier een geweldig hoogwaardig overheidsapparaat met toegewijde, goedbetaalde vaklui, erg knap.”

Dat is in het westen niet overal en voortdurend het geval.

    • Ben Knapen