Cyprus is valkuil voor archeologen

Opgraving bij Kaleburnu (Galinoporni) op Cyprus Foto CPC Regarding the archeological excavation at Kaleburnu, in the Karpas peninsula in North Cyprus CPC

Cyprus kan voor archeologen een politiek wespennest zijn. Dat ondervond de Duitse archeoloog Martin Bartelheim van de Universiteit van Freiburg. In het laatste nummer van Archaeology vertelt hij dat zijn deelname aan een opgraving op Cyprus zijn carrière schaadt. De opgraving is namelijk in de alleen door Turkije erkende Turkse Republiek Noord-Cyprus.

Eind 2004 vroeg een Duitse collega aan de Turks-Cypriotische Eastern Mediterranean University of Bartelheim wilde helpen bij een noodopgraving van een door rovers bedreigde vindplaats uit de bronstijd. Een geraadpleegde jurist verklaarde dat volgens de Haagse Conventie ter bescherming van cultureel erfgoed in oorlogstijd (1954) opgravingen in ‘bezet gebied’ geoorloofd zijn als de vindplaats bedreigd is.

De Grieks-Cypriotische archeologische dienst was echter niet onder de indruk en verklaarde de opgraving illegaal. Cypriotische en Griekse archeologen en subsidiegevers zetten vervolgens betrokkenen onder druk. Een Duitse stichting besloot als gevolg hiervan een subsidie aan de opgraving tijdelijk stop te zetten. Ernst Pernicka van de Universiteit van Tübingen, bekend als leider van de opgravingen van Troje in Turkije, kreeg nadat hij studenten naar de opgraving op Cyprus had gestuurd te horen dat zijn hulp niet alleen ‘academische zelfmoord’ was, maar ook alle Duitse archeologische projecten op Cyprus en in Griekenland zou kunnen schaden. En Bartelheim kon fluiten naar een hem aangeboden onderwijsbaan in Oxford. De universiteit, bang om een miljoenensubsidie van de Cypriotische Levantis Foundation mis te lopen, vroeg hem eerst een verklaring te tekenen. Dat hij spijt had van wat hij had gedaan en het nooit meer zou doen. Bartelheim weigerde.