‘Communiceer dat orgasme!’

In Nederland

bestaat te weinig aandacht voor het populariseren van onderzoek. Dat vinden Rick van der Ploeg en Adriana Esmeijer, juryleden van de Academische Jaarprijs. Tobias Reijngoud

Foto Vincent Boon Amsterdam. 18-12-2006. Dhr. van der Ploeg en mevr. Esmeijer, van het Prins Bernhard Cultuur Fonds. Foto voor bijlage NRC / thema Academische Jaarprijs. Foto: Vincent Boon © COPYRIGHT : VINCENT BOON 2006 © WWW.VINCENTBOON.NL Boon, Vincent

De Academische Jaarprijs is bedoeld om wetenschappers te motiveren hun onderzoek voor een breed publiek te vertalen. Maar is de Nederlandse universitaire wereld daar wel aan toe? „Een wetenschapper die veel energie steekt in het populariseren van zijn onderzoek, wordt in Nederland al snel niet meer zo serieus genomen”, zegt Rick van der Ploeg, juryvoorzitter van de Academische Jaarprijs en hoogleraar economie in Florence. „Wetenschappers beoordelen zichzelf en elkaar vooral op de hoeveelheid wetenschappelijke publicaties in vooraanstaande tijdschriften als Nature en Science. Publiceren in massamedia wordt een beetje meewarig bekeken. Alsof je als wetenschapper niet helemaal bent geslaagd. Nederlandse wetenschappers staan internationaal hoog aangeschreven, daarom is het jammer dat ‘de man in de straat’ weinig weet van hun resultaten. Wetenschappers horen onze nationale helden te zijn.”

Er zijn weliswaar voldoende wetenschappers die regelmatig in de media optreden, „maar vaak niet in eerste instantie vanwege hun onderzoek”, zegt Van der Ploeg. „Neem Ronald Plasterk. Internationaal bezien een vooraanstaand bioloog, maar in Nederland vooral bekend vanwege zijn columns in Buitenhof en zijn mediagenieke uitspraken over actuele, politieke thema’s die niets met zijn vak te maken hebben. Er is een markt voor meninkjes, niet voor wetenschap.” Van der Ploeg is zelf ook een vooraanstaand wetenschapper die regelmatig in de media optreedt. Maar zijn bekendheid dankt hij misschien vooral aan het feit dat hij in het tweede paarse kabinet staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen was. „Ik probeer de helft van mijn tijd als hoogleraar te besteden aan het uitventen van mijn onderzoek. Maar ik merk zelf hoe lastig dat is, want een groot deel van mijn communicatieactiviteiten speelt zich toch af binnen de academische wereld, in de vorm van lezingen en gastcolleges.”

Maar er is méér aan de hand dan een minachting voor popularisatie in de wetenschappelijke wereld. Media staan zelf ook niet te springen om wetenschappers uitgebreid aan het woord te laten. „Dat geldt in ieder geval voor de alfawetenschappen. Daar is buitengewoon weinig aandacht voor in wetenschapskaternen van kranten en tijdschriften”, meent Adriana Esmeijer, jurylid van de Academische Jaarprijs en directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds. „Uit mijn promotieonderzoek eind jaren negentig bleek dat veel wetenschapsjournalisten alleen exacte vakken beschouwen als ‘echte wetenschap’. Vakken als letteren en kunstgeschiedenis worden niet helemaal serieus genomen. Dat is een erg beperkte opvatting van wetenschap.”

Mensen worden mondiger als ze kennisnemen van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, meent Esmeijer. „Dat is het belang van wetenschapscommunicatie. Neem de inzending voor de Academische Jaarprijs van de Universiteit van Maastricht over de onbetrouwbaarheid van ooggetuigen bij rechtszaken. Dat onderzoek maakt duidelijk dat onze herinnering een wankele bron van informatie is. Het is belangrijk dat burgers daarover worden geïnformeerd, zodat ze zich een mening kunnen vormen over juridische uitspraken.” Van der Ploeg vult aan: „Een mens kan van allerlei dingen genieten. Van een schilderij, een natuurgebied, een orgasme. Wetenschap past ook in dat rijtje, maar ontstijgt het tegelijkertijd. Het moment dat je als onderzoeker ineens iets doorziet, is overweldigend. Een wetenschappelijk orgasme. Een wetenschapper die niet communiceert over zijn inzichten, geeft anderen niet de kans om zelf ook dat overweldigende moment te beleven waarop het kwartje valt. Dat is kwalijk. Want hoe kun je leven zonder dat gevoel van kwartjes vallen te ervaren? Dat is als een leven zonder seks.”

In Angelsaksische landen is veel meer aandacht voor het populariseren van onderzoek, zowel bij wetenschappers als bij de media. Wetenschappers in de Verenigde Staten moeten, meer dan in Nederland, concurreren om onderzoeksgelden en subsidies. Daardoor worden ze gedwongen om hun onderzoek over het voetlicht te brengen. Media-aandacht helpt daarbij. „Studenten in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië krijgen vanaf het begin van hun studie presentatietrainingen”, zegt Van der Ploeg. „Ze leren hun onderzoek te vertalen naar de taal van het brede publiek. Er heerst een presentatiecultuur. Die moet in Nederland nog van de grond komen.”

De Academische Jaarprijs is een van de initiatieven om dat te bereiken. „Maar er is nog een lange weg te gaan. Dat blijkt alleen al uit het feit dat het aantal van eenentwintig inzendingen voor de prijs dit jaar tegenvalt. Vorig jaar ontvingen we 65 inzendingen”, aldus Esmeijer. „De meeste inzendingen zijn vanuit wetenschappelijk oogpunt uitstekend, maar de communicatieprojecten zijn vaak ronduit teleurstellend. Velen komen niet verder dan het voorstel dat men ‘een website gaat maken’. Niet erg creatief. Misschien is het een idee wanneer wetenschappers vaker zouden samenwerken met goede journalisten om zo het onderzoek te vertalen naar een breed publiek. Toch zijn ook Nederlandse wetenschappers in staat om de vertaling naar een groot publiek te maken. In het kinderprogramma Het Klokhuis zie ik regelmatig mooie voorbeelden van ingewikkeld wetenschappelijk onderzoek dat wordt uitgelegd aan jonge kinderen. Misschien moeten wetenschappers daar wat vaker naar kijken, dat brengt ze mogelijk op ideeën.” Van der Ploeg vult aan: „Of neem een voorbeeld aan Chriet Titulaer. Over hem wordt altijd een beetje lacherig gedaan, maar die man kan de wetenschap wel over het voetlicht brengen. Een ander voorbeeld is kunsthistoricus Henk van Os. Hij vertelt altijd zeer enthousiast over zijn vak en kan de vertaalslag maken naar het grote publiek.”

Van de eenentwintig inzendingen heeft de jury er zeven genomineerd voor de Academische Jaarprijs. „We hebben gekeken naar de originaliteit en kwaliteit van het onderzoek, we hebben de communicatieprojecten beoordeeld”, zegt Esmeijer. „De vraagstellingen moeten prikkelend zijn, de antwoorden verrassend. Een mooi voorbeeld van origineel onderzoek is de inzending van de Universiteit Utrecht over klimaatveranderingen die 55 miljoen jaar geleden speelden. Uit dat onderzoek blijkt dat er ook toen sprake was van een broeikaseffect, maar dan met volledig natuurlijke oorzaken. Dat werpt een ander, verrassend licht op de menselijke oorzaken van de huidige klimaatveranderingen.”

Van der Ploeg: „We willen aangestoken worden door de passie en het enthousiasme van de onderzoekers. De wil om hun kennis over het voetlicht te brengen moet van ze afspatten. De inzending over de toepassing van slangengif in medicijnen is daarvan een mooi voorbeeld. Freek Vonk, een jonge, energieke bioloog van de Universiteit Leiden, is de spil van het onderzoek. Voor zijn experimenten vangt hij slangen met blote handen, als een soort Crocodile Dundee. Dat is spectaculair, verrassend en enthousiasmerend.”

    • Tobias Reijngoud