Brieven Nieuw Nederlands Spelpeil

1

Het artikel over de vreselijk slechte kennis van de Nederlandse taal bij rechtenstudenten is mij uit het hart gegrepen. Toen ik vorig semester een eerstejaars hertentamen strafprocesrecht nakeek, heb ik bij één vraag eens geturfd. 43 procent van de studenten (91 van de 211) maakte een of (heel vaak) meer spel- en grammaticafouten op driekwart A4’tje. ‘Bedrijging’, ‘in princiepe’, ‘appart’, ‘onmiddelijk’, ‘een bewijsminima’, ‘naar mijns inszien’ (en allerlei varianten op 'mijns inziens'). Naar interpunctie en stijl heb ik nog niet eens gekeken!

Scripties in het vierde jaar zijn wat dat aangaat overigens niet per se van beter allooi. Blijkens onderzoek uit 2005 waarderen Tilburgse eerstejaars rechtenstudenten de aansluiting van het Tilburgse universitaire rechtenonderwijs op het vwo wat Nederlands betreft met een 4 (op een schaal van 5). De docenten van de faculteit komen echter niet verder dan 2,6. Voor kennis van vreemde talen zijn de cijfers respectievelijk 3,3 (eerstejaars) en 2,4 (docenten). Wij buigen ons hier momenteel ook over de vraag hoe we studenten in vredesnaam tot actieve participatie kunnen brengen. Technische universiteiten klagen steen en been over wiskundekennis van eerstejaars. Met alle waardering voor de tomeloze inzet van vwo-collega’s: de vraag waarop het vwo eigenlijk voorbereidt, kan ik niet beantwoorden.

Mr. Floris van LaanenTilburg

2

Op zaterdag 13 januari las ik het artikel Ook de blondste leerlingen in de zaterdagbijlage van het NRC over het taalniveau van studenten. Ik ben tweedejaars student Personeel & Arbeid van 18 jaar en waarschijnlijk een van de vele studenten die de Nederlandse taal niet uitstekend beheersen. Het is een feit dat studenten de grammatica en spelling slecht beheersen. Een werkstuk van studenten staat vaak vol grammatica-, spel- en vormfouten, ook de werkstukken die ik maak. Vandaar dat ik voorstander ben van ‘bijspijkercursussen’ voor studenten.

Maar ik zou wel willen toevoegen dat deze cursussen ook beschikbaar gesteld moeten worden aan docenten. Graag zou ik deze stelling willen verduidelijken. Bij de opleiding die ik nu volg, wordt verwacht dat studenten bij hun eindscriptie maximaal twee grammatica- , spel- of vormfouten maken per 25 geschreven pagina’s. Ik vind dit een mooi streven, want terecht zegt Janny Hoekstra: een boodschap vol spelfouten neem je minder serieus. Maar mag een docent van een student taalkundig een foutloos werkstuk verwachten, terwijl de docent zelf ook niet foutloos kan schrijven?

Freek ReimertZevenaar

3

Naar aanleiding van het artikel ‘Ook de blondste leerlingen’ over taalachterstanden bij studenten, in de krant van 13/14 januari wil ik u deelgenoot maken van een ervaring met mijn kinderen. Op de basisschool hoefden ze alleen bij de Nederlandse les foutloos Nederlands te schrijven. Taalfouten in andere toetsen, bijvoorbeeld geschiedenis en aardrijkskunde, werden niet gecorrigeerd.

Als wij de kinderen thuis corrigeerden op hun Nederlands taalgebruik, zeiden ze: ‘Nou en?’

Mijns inziens wordt de nonchalante houding tegenover taal, die ook in het artikel wordt genoemd, aangeleerd op de basisschool. Door het niet verbeteren van fouten in andere vakken dan Nederlands geeft de school het signaal af dat het niet belangrijk is om goed Nederlands te spreken en schrijven. Het foutloze Nederlands wordt alleen beloond door een goed cijfer voor het vak Nederlands, er is dus geen enkele stimulans om buiten dit vak nog je best op het Nederlands te doen.

Janet KuipersBeverwijk

4

In reactie op het artikel ‘Ook de blondste leerlingen’ het volgende: ik ben docent godsdienst op het Fons Vitae-lyceum in Amsterdam. Af en toe maken mijn 5-vwo-leerlingen werkstukken op de pc. Als ik dan hier en daar over hun schouder meekijk, wemelt het vaak van de spelfouten. Als ik hen daarop wijs, is het antwoord steevast: ach meneer, daar gooien we straks de spellingcontrole overheen.

Er wordt fonetisch gedacht, maar nu ook dus geschreven. De spellingcontrole laat dat toe: men hoeft niet meer over d’s of t’s na te denken.

Op school deed ik het voorstel de spellingcontrole op de pc’s te blokkeren. Dat moet niet te moeilijk zijn. Zonder dat hulpmiddel moeten de leerlingen weer zelf nadenken. Mijn voorstel werd met sympathie ontvangen, maar verdween in het ‘ronde archief’.

Ton de KokAbcoude

5

Het is niet best gesteld met de kwaliteit van het onderwijs. Universitaire studenten beheersen de spellingregels niet meer (J. Bouma, Ook de blondste leerlingen. Zaterdags Bijvoegsel, 13.1.2007). Maar vijftien jaar geleden deugde het onderwijs ook al voor geen meter, volgens de toenmalige onderwijscritici. En hun kritiek? Die is merkwaardig genoeg niet anders dan nu.

Zo uitte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) halverwege de jaren tachtig zijn bezorgdheid over de achteruitgang van het kennisniveau in het onderwijs. Kennelijk had die waarschuwing weinig gevolgen, want in 1991 riep de Utrechtse rector magnificus Van der Linden de minister op het sluipend kwaliteitsverlies in het vwo te stoppen.

In politieke kringen was er een soortgelijk gemor te horen. Eerste Kamerlid Grol-Overling (CDA) mopperde in 1986 over de kwaliteit van de lerarenopleiding voor het basisonderwijs die benedenmaats was. Ze kreeg bijval van haar collega Van Boven (VVD). Volgens hem was in het basisonderwijs te weinig tijd en aandacht voor het bijbrengen van de grondbeginselen van rekenen en taal. De oude kweekschool, dat was pas een gedegen opleiding, aldus Van Boven.

Een aantal jaren later, eind jaren tachtig, werd weer de alarmklok geluid. Kennelijk waren er te weinig vruchtbare initiatieven getoond om de lerarenopleidingen voor het basisonderwijs op niveau te krijgen. Tegelijkertijd roerden de vakbond en de ondernemers zich in het onderwijsdebat. In 1989 verscheen het rapport De bedrijvige school van de onderwijsbond Abop. Onder leiding van Langeveld, toen hoogleraar sociologie, was de insteek dat het onderwijs gebaat zou zijn bij een grondige interne wijziging, die feitelijk erop neerkwam dat de positie van het management verstevigd moest worden. Niet veel later – in 1991 – deden ook de ondernemers een duit in het zakje van de onderwijskritiek. Bij monde van de stichting SMO lieten ze weten dat een nieuw elan wenselijk én noodzakelijk was. Zij pleitten niet voor meer rekenkunsten, maar wel voor meer aandacht voor het taalonderwijs en voor meer concurrentie.

Ook de publieke opinie was toen bepaald niet positief over de kwaliteit van het onderwijs. In een paar fikse kritische analyses in onder meer Intermediair konden we lezen waarom er steeds minder geleerd werd in het onderwijs: „Alleen de mindere goden kiezen voor onderwijs.” En ook toen al, in 1987, werden er de pleidooien gehouden voor meer kennisgericht onderwijs.

Het Nederlandse universitaire onderwijs bleef twintig jaar geleden evenmin van kritiek verschoond. Halverwege de jaren tachtig stroomde de eerste generatie ‘tweefasenstudenten’ de arbeidsmarkt op. De eerste fase was een vierjarige studie, die eventueel vervolgd kon worden met nog een fase (bijvoorbeeld aio of de lerarenopleiding). Maar de meeste studenten stopten na de eerste fase en kregen vervolgens de titel ‘wegwerpdoctorandus’. Dat predicaat stond voor een student die te weinig vakkennis, te weinig academische vorming en te weinig diepgang had. Een student met drie keer niks dus.

Een van de huidige zorgen in het onderwijs is het gegeven dat juist steeds meer academici het middelbaar onderwijs de rug toekeren. In de huidige discussie wordt steevast vergeten dat dit dan wel degenen zijn op wie het predicaat ‘wegwerpdoctorandus’ van toepassing is.

In ‘Ook de blondste kinderen’ verzucht hoogleraar Icke: „Ik durf een eerstejaarstentamen van tien jaar geleden niet meer aan de huidige eerstejaars voor te leggen zonder voorafgaande oplapcursus.” Maar die student van tien jaar geleden was wel de student die zijn onderwijs genoten had op een vwo dat volgens de Utrechtse rector magnificus gekenmerkt werd door een sluipend kwaliteitsverlies. Feit blijft ook dat in het verleden net zo hard gekankerd werd op het onderwijs als nu. In Bouma’s artikel vinden we slechts twee ietwat relativerende alinea’s over de absolute teloorgang van het onderwijs. Dat is echt veel en veel te weinig om een tegenwicht te bieden aan borrelpraat.

R. RitzenRoermond

6

Met belangstelling heb ik het artikel ‘Ook de blondste kinderen’ gelezen. Niet alleen de spelling en de grammatica is zorgwekkend, maar ook de uitspraak. Articuleren doen we niet meer. De Nederlandse taal is een taal met heldere klanken, maar wat hoor ik?

De ei/ij wordt uitgesproken als ai, bijvoorbeeld blai i.p.v. blij;

de ui wordt uitgesproken als aa-oe, bijvoorbeeld haa-oes i.p.v. huis;

de r aan het eind van een woord wordt uitgesproken als uw, bijvoorbeeld: heeuw veeuw i.p.v.heel veel, of de r aan het eind van een woord wordt uh, bijvoorbeeld: ‘kilometuh’;

achter de oo volgt een oe, bijvoorbeeld moo-oeier i.p.v. mooier;

De klassieke uitspraakfouten f/v en s/z zijn al haast geaccepteerd.

Natuurlijk zijn er dialecten en die moeten er vooral ook blijven, maar laten we toch wat minder slordig met onze taal omgaan. Het is een mooie taal.

Joyce DankersCulemborg

7

Slechts één zin heb ik in ‘Ook de blondste leerlingen’ drie keer moeten lezen, alvorens deze te begrijpen. Ik doel op de zinsnede die u citeert uit het rapport van de Onderwijsraad. In het advies aan de minister schrijft de Onderwijsraad dat er „sterke signalen zijn dat er een niveauverlies is voor de vakken Nederlands en wiskunde in alle onderwijssectoren.” Ik vermoed dat U dit citaat hebt opgenomen om te laten zien hoe slecht zelfs de Onderwijsraad het Nederlands beheerst. Waarschijnlijk heeft de Onderwijsraad willen zeggen dat hij uit alle onderwijssectoren duidelijke signalen krijgt dat de kennis van de vakken Nederlands en wiskunde achteruit is gegaan. Uiteraard staat het ieder vrij die gedachte op zijn wijze te verwoorden. Maar het citaat getuigt van gewichtigdoenerij van mensen, die het net niet hebben begrepen. Wie ontwerpt een cursus: hoe schrijf ik een leesbaar ambtelijk advies?

W.J. OuwerkerkDen Haag

8

Bij het artikel ‘Ook de blondste leerlingen' wil ik de volgende kanttekeningen plaatsen:

1. Het schrijven van teksten is voor ieder die dat doet een, vaak flinke, confrontatie tussen hetgeen je in je hoofd hebt en de realiteit van dit duidelijk overdraagbaar maken. Hiermee omgaan is een vaardigheid die relatief weinig met grammatica te maken heeft en veel met creativiteit en kritisch ten opzichte van je geschreven product zijn. De discussie over ‘niet kunnen spellen’ is dan ook voor mij iets van een tweede orde. Op de eerste plaats komt het leren formuleren van hetgeen je wilt zeggen, daarvoor ligt nog het leren nadenken over een onderwerp, het stellen van vragen, verwondering over onderdelen en het trekken van conclusies. Als je niets of weinig te zeggen hebt is taalvaardigheid een zinloze vaardigheid.

2. Nederlands is een taal die in het perspectief van veel studierichtingen onbelangrijk is. Voor deze studenten is tijd besteden aan taalvaardigheid in de vorm van grammatica en spelling een slechte investering. Een overeenkomstige inspanning in Engels of Chinees is aantrekkelijker.

3. Geschreven taal is geen erg efficiënte manier van communiceren. Beelden zijn veel krachtiger. Spreken is veel krachtiger. De kracht van het gesproken woord zit onder andere is het zich vrij kunnen uiten, zonder beperkingen van grammatica en spelling. Aandacht voor mondeling presenteren en voor het scherp formuleren van vragen geeft een basis voor effectieve communicatie die toegepast kan worden in meerdere taalgebieden, in een veelheid van situaties. Mondeling communiceren is veel, veel waardevoller en met meer toepassingsmogelijkheden dan geschreven taal. Een aspect van studeren is het economische. Inspanning en output optimaliseren, daarbij scoort communiceren hoog.

Ir. L.P.de Bruijn Oosterbeek

9

De verminderde taalvaardigheid die in ‘Ook de blondste leerlingen’ wordt gesignaleerd, is onderdeel van een meer algemeen verschijnsel: een verslonzing van het taalgebruik in Nederland die zich al decennia lang voordoet. Zinnen als ‘dat is niet ondenkbeeldig’, ‘hij irriteert zich’, ‘hij beseft zich’, ‘de vrouw (c.q. mensen) wiens…’ zijn geen uitzondering. Lees je in de krant dat het kabinet, daartoe gemachtigd door de koningin, haar ontslag heeft aangekondigd, dan begrijp je dat het niet de koningin is die aftreedt: dat staat er wel, maar je weet uit ervaring dat niet alle journalisten de grammatica kennen.

Dit wordt wel aangezien voor de normale ontwikkeling van een levende taal. Maar er is meer aan de hand: gebrek aan kennis van de regels en onverschilligheid. Door de beeldcultuur die bij de jongere generatie de leescultuur vervangt en via het onderwijs leidt dit tot een zichzelf versterkende ontwikkeling. Velen leren niet zich precies uit te drukken. En wie de eigen taal niet beheerst, kan dat met vreemde talen ook niet.

Met spelling heeft dit weinig te maken. Wel is het heel goed mogelijk dat door de vele veranderingen van de spelling de neiging om alle regels op taalgebied aan je laars te lappen wordt versterkt.

Als er werkelijk sprake is van een verminderde taalbeheersing, dan kunnen de gevolgen zo ernstig worden dat op den duur de wal het schip misschien wel zal keren. Maar die ontwikkeling te keren is dan nog moeilijker dan fietsers weer af te leren over het trottoir te fietsen, of door het rode licht.

A. SzászAmsterdam