Achter de bergen meer bergen

Acht jaar geleden begon Marijke Zaalberg haar eerste schooltje op Haïti. Nu krijgen bijna negenhonderd kinderen onderwijs.

Zicht op de bouwplaats van het nieuwe schoolcomplex foto Ton Vriens Vriens, Ton

Een hossende menigte verspert de dorpsweg. Een meringue onderbroken door schrille verkiezingsleuzen blèrt uit een megafoon op het dak van een auto. Twee kleuters aan de kant van de weg kijken stil toe. Als ik hen op mijn hurken fotografeer, stormt een beter geklede man van de verkiezingskaravaan op me af. „Geen foto’s!”

De menigte valt stil. Een conflict met de ‘blan’! Marijke Zaalberg (58), oprichtster en leidster van Stichting Naar School in Haïti, komt vanuit het autoraam tussenbeide. Onomwonden laat ze de boss weten dat dit journalistiek heet. Zijn protesten wuift ze met een beslist handgebaar weg.

De spanning is verbroken. Enkele omstanders roepen nu lachend haar naam, Marika! Marika! We kunnen doorrijden. Maar na acht jaar Haïti heeft Marijke geen illusies.

„Het kan zo omslaan. Alles wat ik gebouwd heb, kan in een nacht vernietigd worden, in elkaar geslagen. Of een hotemetoot besluit het in te pikken. In dit land heb je voor geen cent zekerheid.”

De witte pantserwagens van de VN rijden hun rondes in de hoofdstad Port-au-Prince. Maar Haïtianen leven nog steeds onder de terreur van dagelijkse kidnapping en gewapende overvallen. De politie wordt ervan verdacht vaak medeplichtig te zijn. Het getraliede hek van Marijkes huurhuis in het dorp Kenscoff – een uur rijden van Port-au-Prince – is voorzien van zware hangsloten en opgehoogd met rollen prikkeldraad. Een veiligheidsman met een pistool rijdt mee voor boodschappen in de stad.

Marijke heeft op dit moment elf baby’s en kinderen in huis. Het merendeel is gebracht door ouders, die hopen dat hun kind voor adoptie in aanmerking komt.

Marijke Zaalberg begon haar eerste schooltje en kinderopvang aan huis in 1999. Sindsdien opende ze nog vier scholen in de omringende bergen onder de naam École Le Soleil de Hollande. Zo’n negenhonderd kinderen krijgen er kleuter- en basisonderwijs.

Marijke runt de schooltjes en de opvang van de kinderen met Agnes Hoogkamer (33), een verpleegster uit IJmuiden. De stichting werkt met een jaarbudget van krap 100.000 euro, grotendeels opgebracht door Nederlandse particulieren. De leiding, Marijke en Agnes, krijgt geen salaris. De staf, 35 onderwijzers, verpleegsters en ander personeel, verdient tussen de vijftig en tachtig euro per maand. Te weinig om van te leven in een land waar gezondheidszorg en onderwijs niet gratis zijn. Toch is het voor Haïtiaanse begrippen royaal.

Marijke en Agnes staan dagelijks voor salomonsbeslissingen over de besteding van de schaarse middelen. ’s Avonds laat zitten ze nog bij kaarslicht te organiseren in Marijkes kleine slaapkamer. Als Jansen en Janssen vullen ze elkaars zinnen aan.

Het duo loopt vaak vast op het onbegrip of de onwil van de Haïtiaanse staf. Vooral Marijke springt regelmatig uit haar vel en waart ’s nachts in huis rond, foeterend over niet-uitgekookte zuigflessen en andere slordigheden.

De problemen zijn overweldigend. In Haïti functioneert niets; wegen zijn opgebroken, schoon water is schaars, het land grotendeels ontbost. In dit berggebied ten zuiden van Kenscoff is negentig procent van de bevolking analfabeet. Moeizame landbouw op uitgehakte terrassen is het enige middel van bestaan.

Agnes neemt ons mee naar een moeder die haar op straat had aangeklampt. Glibberend over steile bergpaden dalen we af naar een nederzetting in een vallei – drie krotten op een open stuk grond. De extended familie van moeder Giselaine Joseph is thuis. Later op de dag zal een nichtje worden begraven. Kinderen sterven in dit afgelegen oord als vliegen. Giselaine (40) heeft er twee verloren. Agnes wijst op het rossige haar van Giselaine’s jongste, Dieulouse. Het begin van hongeroedeem veroorzaakt door eenzijdige voeding. De oudste dochter, Dwage (18), heeft het onvolgroeide lichaam van een tienjarige en de wezenloze blik van een oorlogsslachtoffer.

Op de terugweg bespreken Marijke en Agnes de noodzaak Dwage een tijd bij te spijkeren met vitaminepreparaten en aansterkend voedsel.

Agnes: „Misschien zou ze bij ons in de keuken kunnen werken, als de rest van de staf dat tenminste accepteert.”

Marijke: „Ze moet eerst getest worden op wormen en hiv.”

De scholen van Soleil de Hollande strekken zich als een snoer uit in de afgelegen bergen. In sommige lokalen wordt in twee rondes per dag les gegeven wegens plaatsgebrek. De kinderen komen lopen van ver – soms twee tot drie uur.

Vlaggenschip is een kleuterschool met drie klassen in Furcy, gebouwd met een Nederlandse overheidssubsidie op het terrein van een openbare basisschool. Bonjour Marika et Agnes! De kinderen zijn blij hen te zien. De kleuterjuffen komen in actie. Het lesprogramma bestaat uit veel zingen en het in koor opzeggen van Franse zinnen. Er is speelgoed, Hollandse blokkendozen en puzzels, gestuurd door welwillenden in het moederland.

Een afspraak met de directeur van de openbare basisschool waar Marijkes kleuterschool bij hoort, gaat niet door. Hij komt nog maar zelden. Het directeurssalaris van nog geen tachtig euro per maand noodzaakt hem tot bezigheden elders. Vaak sluiten openbare scholen in Haïti, tijdelijk of voorgoed, omdat de salarissen niet worden uitbetaald.

De verderop gelegen schooltjes van Soleil de Hollande zijn gevestigd in een kerkje en andere ruimtes gehuurd van omwonenden. De klaslokalen hebben geen ramen. Slechts een openstaande buitendeur verschaft wat daglicht. De kinderen zitten elleboog over elleboog op houten bankjes. Op wat schriftjes na zijn er geen lesmaterialen of boeken te vinden. Het onderwijs is klassikaal. Het is niet duidelijk of de kinderen veel opsteken van het opdreunen van Franse zinnen. Ze geeuwen van de honger na de lange voettocht op een lege maag. Een graatmager meisje fluistert in Marijkes oor of ze met haar mee haar huis mag; haar nieuwe stiefmoeder slaat te hard.

Het is muisstil als we over een steil bergpad naar de laatste school afdalen. Marijke fluistert dat ze het geluid hoort van een petsende liniaal. Als we de duistere schuur binnenstappen, zijn plotseling de spreekkoren te horen. De twee klaslokalen zijn slechts door een stuk gordijn gescheiden.

Kleuterleidster Roseline Laguerre (22) heeft drie jaar middelbare school. Ze heeft een kind thuis, maar zij en de andere onderwijzers verblijven door de week in twee kamers die Marijke in de buurt voor hen heeft gehuurd. Het is de enige manier om op tijd op school te zijn.

Onderwijzer Valéas Wilkens (23) is bijna klaar met zijn eindexamen middelbare school. En dan? Onderwijs is armoede. Valéas wil voor accountant gaan studeren. Hij zucht en rekent voor dat de vierjarige studie zo’n 13.000 Haïtiaanse dollars kost (1.500 euro) plus onderdak en levensonderhoud in de hoofdstad. Hij verdient hier 500 Haïtiaanse dollars per maand plus een bonus voor op tijd komen – tachtig euro.

Hoeveel jaar denkt hij als onderwijzer te moeten werken om naar de universiteit te kunnen? Valéas valt stil. Hij wil het even niet weten.

Kempès Jean is de coördinator van de scholen. Marijke vertrouwt hem als geen ander en betaalt hem het dubbele van het gangbare onderwijzerssalaris. Ik loop een eind met hem op, de bergen in. Hoe speelt hij het klaar om collega’s van dezelfde leeftijd te superviseren? Kempès aarzelt geen moment: „Dankzij mijn intelligentie en intellectuele superioriteit. En ik ben schappelijk. Haïtianen houden niet van chefs, maar ze waarderen redelijkheid.”

Krijgt dit project erkenning, hier in de gemeenschap en van de onderwijzers, gezien de klachten over diefstal van materialen en andere problemen?

Kempès drukt zich omzichtig uit: „De ouders zijn Marijke diep dankbaar. Het is waar dat onderwijsmaterialen verdwijnen of kapot gaan. Maar er wordt hier niet gestolen. Wat betreft de problemen met de onderwijzers: het is soms moeilijk om op tijd te zijn. Ze komen van ver en ze hebben problemen thuis: kinderen of ouders zijn ziek en andere zaken gaan verkeerd. Het leven hier is gecompliceerd.”

We bespreken de autoritaire manier waarop met de kinderen wordt omgegaan. Ze worden met de lat geslagen, er is geen individuele aandacht en ze moeten alles in spreekkoren opdreunen. Hoe kun je zo ooit leren denken?

Kempès verwijst naar de vaderlandse geschiedenis, zijn hobby. „Onderdrukten worden onderdrukkers. Wij zijn nog steeds slaven. Nadat we het juk van Napoleon afwierpen, werden we opnieuw onderdrukt door een Haïtiaanse elite. Tot op heden. Aan de andere kant: we willen zo graag vrij zijn, vrij van alles, dat we geen maat kunnen houden. Het is het basisconflict in iedere Haïtiaan, zich slaaf voelen en een irreële hang naar een totale vrijheid hebben.”

Op de terugweg ziet Marijke een onderwijzeres op straat. „Het is twintig over drie! Ze hoort tot half vier op school te zijn.” Marijke tikt nadrukkelijk op haar horloge. De onderwijzeres houdt met een stalen gezicht haar eigen horloge omhoog: de wijzers staan op iets over half vier.

Marijke licht toe dat er in de vele arbeidsconflicten al gauw met voodoo wordt gedreigd. Ze is er aan gewend. Maar toen er eens wit poeder voor haar deur was gestrooid en haar een helse dood was aangezegd, was ze een tijd naar Nederland gegaan om weer greep te krijgen op haar eenzame situatie.

Op de vraag hoe het met hem gaat, staart Jean-Claude Bajeux zwijgend naar de kruinen van de prachtige acajoubomen in zijn tuin in Pétionville, het Haïtiaanse Wassenaar. Op de hoge muren die ons omringen zitten gewapende wachten op de uitkijk. De oud-minister zegt al vier jaar de deur niet uit te kunnen. De bendes van ‘chimères’ (spoken), waarvan gezegd wordt dat ze door Aristide bewapend werden, hebben het op zijn leven gemunt. Bajeux maakte deel uit van de regering tijdens Aristides presidentschap, maar klaagde hem aan als een moordzuchtige, corrupte dictator.

„Haïti is suicidaal. We hebben sinds 1986 verschillende kansen gehad om dit land uit het slop te halen. Niet voodoo, niet de CIA, maar het consequente falen van ons leiderschap heeft dit land te gronde gericht.”

Bajeux stelde een internationaal gewaardeerde bloemlezing samen van literatuur in het Haïtiaanse Creools. De met hem bevriende auteur Frankétienne ontving in december vorig jaar de Prins Clausprijs voor zijn werk in het Creools. Hij toont zijn indrukwekkende bibliotheek. „Van de negentiende tot ver in de twintigste eeuw werd in Haïti meer gepubliceerd dan in de rest van het Caraïbisch gebied tezamen. Vandaag de dag is er geen boek te vinden in een middelbare school. Er zijn geen openbare bibliotheken. Er is niets meer.”

Heeft uw regering destijds ooit een plan gemaakt om het analfabetisme in Haïti te bestrijden? Aristide had het immers doorlopend over de noodzaak van edikasyon voor de massa.

„Er was zelfs geen begroting. Aristide bestuurde het land alsof het zijn achterzak was. Overheidsgelden verdwenen.”

Bajeux ontwaakt uit zijn bittere melancholie als het nut van onderwijs in het Creools ter sprake komt. Zou het, met het oog op het grote aantal Haïtianen in de VS of Canada – een op de vijf – niet meer zin hebben Engels als tweede taal te onderwijzen? Bajeux studeerde zelf Engels aan Princeton in de VS.

„Vergeet niet: Creools is het enige dat wij gemeen hebben. Van de slaven die zich bevrijdden van de Franse bezetting, was de helft geboren in Afrika, afkomstig uit verschillende stammen met verschillende talen. Creools smeedde ons tot een natie. Maar Frans bleef de officiële taal. Nog steeds worden veel overheidsdocumenten alleen in het Frans gepubliceerd, terwijl weinig Haïtianen het Frans beheersen. Misschien is er inderdaad een psychologische barrière tegen de taal van de bezetter. Ik ben niet tegen het invoeren van onderwijs in het Engels, maar we moeten Creools en Frans leren. Er is geen andere keus. Ik denk trouwens niet dat ik het nog meemaak dat er goed onderwijs komt. Het vraagt meer talent om een kind van zes te leren lezen en schrijven dan om hoogleraar te worden.”

Op de terugweg ’s avonds naar Kenscoff wordt de taptap (een taxibusje) opgehouden door een menigte die te voet afdaalt naar Port-au-Prince. Twee mannen schreeuwen tegen marktventers dat ze hun waar moeten afgeven. Een politieagent die het verkeer staat te regelen, verdwijnt schielijk. In de taptap kijkt iedereen strak voor zich uit. De angst is te ruiken.

De volgende ochtend laat Marijke zien waar ze een nieuwe scholengemeenschap wil bouwen. Boven op een steile helling staat ze trots met de bouwtekeningen te wapperen. Drie kleuterklassen, tweemaal zes basisklassen en mogelijk een middelbare school.

Heeft het niet meer zin om eerst de krotten waar nu wordt lesgegeven te verbeteren? Het is immers haar strategie om onderwijs aan te bieden binnen loopafstand. Maar Marijke is ervan overtuigd dat een goed geoutilleerd centrum een vereiste is om met haar onderwijsguerrilla verder in het gebergte door te dringen.

Zoals de Haïtianen zeggen: Dèyè mòn gen mòn: achter de bergen, meer bergen. Daar waar de witte landrovers van de grote NGO’s niet komen, doen Marijke Zaalberg, Agnes Hoogkamer en hun Haïtiaanse staf hun werk.

„Ik heb leren accepteren dat wat in Nederland een aanfluiting zou zijn, voor Haïti heel goed kan zijn”, zegt Marijke. „Het lijkt misschien dweilen met de kraan open. Maar anders bleven die kinderen in de hut thuis –- een volgende hulpeloze generatie.”