Uitspraak Europese Hof niet bagatelliseren 2

A.H. van Delden, voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, noemde in Buitenhof de veroordeling van Nederland door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens wegens de voorgenomen uitzetting van een Somalische asielzoeker ”onbegrijpelijk” (NRC Handelsblad, 15 januari).

Zijn kritiek is grotendeels onterecht. Volgens Van Delden is het `onbegrijpelijk` dat het Hof toestond dat de Somaliër geen hoger beroep had ingesteld bij de Raad van State. Echter, het Hof legt dat keurig uit. De asielzoeker had aangevoerd dat marteling of mishandeling dreigde omdat hij tot een ernstig bedreigde minderheid behoort. De Raad van State eist altijd bewijs dat vervolgers het op de asielzoeker persoonlijk gemunt hebben. Hoger beroep zou dus inderdaad kansloos zijn geweest. Verder stelt Van Delden dat Straatsburg alleen de Turkse en Griekse hoogste rechters zo heeft gepasseerd, toen daar militaire junta`s waren. Ook dit is onjuist. Dat hoger beroep niet hoeft als het kansloos is, is vaste rechtspraak sinds de zaak De Wilde, Ooms en Versyp uit 1967 - een tegen België gewezen arrest.

Van Deldens interventie lijkt niet ingegeven door specialistische kennis op het gebied van het asielrecht. Ook zijn functie van voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak rechtvaardigt haar niet: de Raad van State valt niet onder deze Raad, en bovendien mag de Raad voor de Rechtspraak zich volgens art. 96 van de Wet op de rechterlijke organisatie niet inhoudelijk in zaken of categorieën zaken mengen. Hoe dat ook zij, als Straatsburg Nederland en in het bijzonder de Raad van State op de vingers tikt, is het niet juist dat te bagatelliseren of discrediteren. Laten de Raad van State, de minister en indien nodig de wetgever liever bezien wat nodig is om te verzekeren dat Nederland zich niet vaker schuldig maakt aan mensenrechtenschendingen.

    • Mr. Hemme Battjes Vu Amsterdam