U alleen sterft zonder God

Mensje van Keulen Foto Vincent Mentzel Mensje van KEULEN,auteur,schrijfster.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==B/W==Amsterdam juni 2006 Mentzel, Vincent

Mensje van Keulen: De laatste gasten. Atlas, 167 blz. € 18,50

In mei 1976 verbleef de toen dertigjarige schrijfster Mensje van Keulen een paar dagen in De Pauwhof te Wassenaar, dat ze in haar vorig jaar verschenen dagboek uit die tijd omschreef als een ‘bescheiden landhuis, waar kunstenaars en intellectuelen zich kunnen terugtrekken’. Zelf kwam ze niet tot werken tussen de snoevende snobs met hun clichés en vooroordelen. Wel maakte ze aantekeningen over de Pauwhof, in de hoop daar ooit nog iets mee te doen. ‘Verdwijning, moord, geheime verhoudingen, er is genoeg om de fantasie op gang te brengen’.

Inmiddels is De Pauwhof gesloten, maar de aantekeningen van dertig jaar geleden zijn verwerkt in de roman De laatste gasten, spelend in het kunstenaarspension d’Meihof aan de Amstel. Verdwijning, moord, geheime verhoudingen komen er niet in voor, wel schitterende miniatuurtjes van de has beens die er verblijven en die onder andere namen ook al figureerden in van Keulens dagboek.

Uit eerder werk van Mensje van Keulen valt op te maken dat ze intellectuele en kunstminnende Wichtigmachers graag belachelijk maakt en soms ook de neiging heeft ‘gewone mensen’ te verheerlijken. In De laatste gasten ontsnapt ze aan dergelijke karikaturen door diverse milieus met elkaar te vergelijken en tot de ontdekking te komen dat oplichters en rotzakken in alle kringen voorkomen.

Haar hoofdpersoon, het negentienjarige weesmeisje Florrie, is in de Amsterdamse Pijp grootgebracht door haar liefdeloze tante Lena, wie het woord ‘kutkreng’ in de mond bestorven lag. Als de tante aan een hersenbloeding overlijdt, moet Florrie een baan en huisvesting zoeken. Zo komt ze eind jaren tachtig (de Amsterdamse Stopera bestond al) als inwonende keukenhulp in d’Meihof terecht.

Anders dan in haar dagboek uit 1976 beschrijft Van Keulen het gezelschap dat ze in het kunstenaarspension aantreft dus niet door de ogen van een gearriveerde schrijfster, maar door die van een bewonderende buitenstaander. Florrie, die volgens haar akelige tante ‘in de hel is gemaakt’, ontdekt in d’Meihof de hemel. Het onbevangen volksmeisje, ternauwernood ontsnapt aan het milieu van haar hoerende en snoerende tante, kan geen genoeg krijgen van de conversaties over cultuur en filosofie die ze in haar nieuwe onderkomen te horen krijgt. Een hoogleraar kunstgeschiedenis maakt haar enthousiast voor de schilderijen van Vermeer en Ter Borch en in de gereserveerde, overbeschaafde huismeesteres Alice Müller vindt ze soort moeder. ‘Voor mij’, zegt Florrie aan het begin van De laatste gasten, ‘is de Meihof bepalend geweest voor mijn leven’.

In wezen is deze kleine pensionroman, sinds Balzacs Vader Goriot en later Elsschots Villa des Roses een geliefd genre, een lofzang op mensen als de kunstenaarsmoeder Alice. Zij is iemand die mensen, hoe afwijkend of verknipt ook, in hun waarde laat en Florrie leert om dat ook te doen.

De laatste gasten, briljant geschreven en vol scherpe observaties, is een verhaal over desintegratie, zowel van personen als van een instituut. De meeste gasten in d’Meihof zijn anders dan ze zich voordoen en voelen zich diepongelukkig. Het uiteenvallen van het collectief voltrekt zich zoals overal elders. Het begint met jaloezie en roddel en eindigt met verdachtmakingen, beschuldigingen, verraad en het aanwijzen van een zondebok.

In De laatste gasten is de zondebok de aimabele kunsthistoricus prof. Waterman, van wie de ordinaire, zelfvoldane kunstschilder Fagel beweert dat hij een oplichter is. De adellijke mevrouw Ootje Stalpert gelooft hem onmiddellijk: ‘Hij is niet de eerste jood die liegt’. De anderen zijn net iets beschaafder, maar schromen niet om iemand die zij ervan verdenken aan pseudologia fantastica te lijden publiekelijk te vonnissen.

Florrie vallen de schellen van de ogen als ze haar net ontdekte hemel in een hel ziet veranderen. De kunstzinnige en geleerde gasten tegen wie zij opkeek en voor wie ze ondanks hun zwaktes begrip voelde, verkeren in onmensen. Ze overdenkt de woorden van Herman Peski, een filosoof die aan tafel heeft gezegd ‘dat je de status van bestaan alleen geeft aan iets waar woorden voor zijn’. Mensje van Keulen kan de woorden vinden met een bewonderenswaardige trefzekerheid.

Op de laatste dag van haar verblijf op d’Meihof laat zij Florrie denken: ‘Straks zouden alle gasten verdwenen zijn, ik zou ze net zo goed verzonnen kunnen hebben.’ Verzonnen of niet, in deze roman krijgen zij ‘de status van bestaan’. Op het eerste gezicht lijkt dit een verhaal van grote eenvoud. Lees je De laatste gasten twee of drie keer, dan blijkt hoe geraffineerd het in elkaar zit. Net zoals de zin ‘Zonder god sterft u alleen’ die Florrie zo fascineert omdat, als je de woorden in een andere volgorde zet, de inhoud verandert. ‘Alleen zonder God sterft u’, of ‘God sterft alleen zonder u’ en ‘U alleen sterft zonder God’. Even meerduidig is deze liefdevolle of in elk geval van mededogen vervulde afrekening met een gezelschap waarvoor het adjectief snobistisch veel te vriendelijk is.

    • Elsbeth Etty