Tjallings Dagboek

Wat vooraf ging: in een wereld, diep onder de grond, zijn Katja en Tjalling betrokken geraakt in een heilige oorlog – een oorlog tussen Furbies en badeenden.

Die rij Furbies aan de horizon, dat had iets dreigends. Het waren natuurlijk maar kleine, pluizige beestjes, maar het waren er een hele hoop, en ze keken niet vrolijk.

„Jij hield van Furbies, toch?” zei ik. „Wat moeten we nu doen?”

„Gewoon aaien”, zei Katja. „Furbies zijn hartstikke lief.”

Maar ik hoorde de twijfel in haar stem.

Achter ons klonk geschuifel en gekwaak. En daar kwam het leger van generaal MacDonald! Floppend en flappend kwamen de badeenden aangewandeld.

„Dit is het moment”, sprak generaal MacDonald gewichtig. „In deze heilige oorlog zullen we onze tegenstanders verpletteren! Zij die het bad bevuilen zullen roemloos ten onder gaan! Enne... mochten sommigen van ons per ongeluk sneuvelen, dan zullen diegenen in het Grote Warme Bad terechtkomen bij de grote Kwaak!”

„Weet je het zeker?” vroeg Katja, maar dit leek generaal MacDonald niet te horen.

„Wees gereed, mannen”, zei hij spiedend.

Plotseling begonnen de Furbies snerpend te gillen! Het was een naar geluid, het leek op het gepiep van ratten. En ze vielen aan! Krijsend schoten de harige diertjes op ons af.

„Wanneer ga je ze nou aaien?” vroeg ik, maar Katja stond stokstijf stil.

De badeenden bogen voorover. Ze gromden. En toen ontmoetten de twee partijen elkaar, en de veldslag begon.

Katja en ik, we keken eerst alleen maar stomverbaasd toe. Daar beet een Furbie in een gele vleugel. Iets verderop trokken twee badeenden hele snavels vol haren uit een Furbie. En daar weer naast braakte een Furbie een giftige straal naar buiten, en de badeend die werd geraakt vloog in brand. En brandend rende het diertje rond.

Op dat moment werd Katja aangevallen. Twee Furbies schoten langs een been omhoog. Eén beet er in haar kuit, en Katja schreeuwde.

Ik wist de kleine rotzak los te trekken. Op Katja’s kuit zat een bloedende bijtwond. Ik gooide de Furbie zo ver ik kon weg.

„Bravo!” hoorde ik achter me. Daar stond generaal MacDonald te juichen.

„Zet ’m op, kolonel Tjalling!”

Gek genoeg deed het me goed, die aanmoediging. Ik voelde een dolle vechtlust in me opkomen!

Katja stond nu langdurig te stampen op de andere Furbie die haar had belaagd. Het beestje verdween onder het zand.

„O, is dát jouw manier van aaien?” riep ik.

Maar we moesten ons alweer verdedigen tegen meer van die harige ratten. Trappend en met onze armen zwaaiend renden we rond.

De Furbies leken nu overal vandaan te komen. Ik begon bang te worden. De badeenden begonnen te verliezen. Overal lagen ze nu, in stukken gebeten, of verteerd door het gif. Bij veel Furbies ontbraken plukken haar of oren, maar ze vochten gewoon door.

Toen bewoog de aarde. Naast ons ontstond een soort van molshoop, en daar verscheen de voorkant van Paliseter de worm!

„Hoi amigo's!” zei hij vrolijk.

Blijkbaar had hij niets door. Hij kwam helemaal naar buiten. Onmiddellijk schoot een Furbie op hem af, met een opengesperde snavel. Katja gaf een gil. Want Paliseter werd in tweeën gebeten.

„Goeie genade”, zeiden zowel de voor- als de achterkant van de worm. „Het is afschuwelijk hier. Misschien moeten we hier weg...”

(Wordt vervolgd)