‘Servische politici zijn een zootje’

Zondag kiezen de Serviërs een nieuw parlement. Van de politiek verwachten jongeren weinig. Maar „het spektakel” is dankbaar materiaal voor de rappers van Sindikat.

Uit de geluidsboxen rolt een snoeiharde basslijn. De korte, afgemeten teksten vormen samen één langgerekte vloek die wordt uitgespuugd. ‘Déjà vu’, heet het nummer op de laatste cd van Beogradski Sindikat, de populaire rapband uit de Servische hoofdstad. Hun teksten zijn scherp en meedogenloos – „een frontale aanval op de politieke kliek”, zegt zanger Fedja Dimovic op het kantoor van Sindikat.

„In de liedjes noemen we met opzet geen enkele politicus bij naam, want onze kritiek geldt het hele zootje: het zijn allemaal incompetente, immorele lui die niet weten hoe ze dit land moeten besturen.”

Zondag gaan de Serviërs naar de stembus voor een nieuw parlement, en de campagnes van sommige partijen zouden juweeltjes van scènes opleveren in een absurde film van Emir Kušturica. Tegen gevels hangen enorme posters met een foto van zakentycoon Boguljub Karic, leider van de partij Kracht van Servië. Karic zelf is er even niet. Hij is op de vlucht voor de Servische autoriteiten die hem zoeken wegens financiële malversaties. Ter compensatie heeft de partij Karic’ vrouw en nog wat familieleden op de kieslijst gezet.

Ook de leider van de Servische Radicale Partij (SRS), Vojislav Šešelj, is afwezig. Hij zit als verdachte van oorlogsmisdaden vast in een cel in Den Haag. Al jaren is de SRS de grootste partij, met 80 van de 250 zetels in het parlement. ’s Middags heeft de partij in feestelijke optocht het verkeer in het centrum van Belgrado lamgelegd. Oudere vrouwen zwaaien vanaf de stoep met blauw-wit-rode vlaggetjes naar het politieke circus op wielen.

„Kun je je voorstellen?” zegt rapper Fedja. „Men vraagt ons aan de stembus: welke crimineel wilt u het liefst?” Maar hoe verontwaardigd Fedja ook is, „het spektakel levert wel prachtig materiaal op” geeft hij toe. De laatste jaren groeide de band, bestaande uit elf jonge rappers, uit tot een protestbeweging met een eigen logo en herkenbare ludieke acties. In Belgrado hangen nep-verkiezingsposters van de band. ‘Niet links, niet rechts – Allemaal samen!’ is de leus.

Wie Sindikat aan zijn zijde heeft, die heeft de jeugd, dachten ze bij de partij van Karic, en ze gebruikten een lied van de rappers in de huidige campagne. Dat schoot Fedja in het verkeerde keelgat. „Onze natuurlijke vijand gaat er met onze muziek vandoor.” Sindikat heeft de Karic-familie gedreigd met een rechtzaak. „Voor de vorm, want de rechtspraak in Servië werkt vreselijk traag. Zo’n zaak kost je al snel duizenden euro’s die wij niet hebben. Voor Karic is dat wisselgeld.”

De vraag naar hun politieke voorkeur ontlokt bij de meeste jongeren in Servië een dodelijke combinatie van desinteresse en hoon. Brandende kwesties volop, daar ligt het niet aan. Hoge werkloosheid. Chaos in het onderwijs en de gezondheidszorg. En natuurlijk de kwestie Kosovo. Daarover is iedereen – jong en oud, democraat en radicaal – het eens: Kosovo mag nooit worden opgegeven.

De desinteresse heeft meer te maken met een diep geworteld wantrouwen. Want: „Wie moet al die problemen gaan oplossen?” vraagt Fedja. „In Servië vind je die mensen niet. Na eeuwen van Turkse overheersing, en vervolgens decennia van communisme en oorlog, zijn wij nog niet toegekomen aan het opbouwen van een democratische cultuur.”

Verderop in de stad zit een dertigtal jonge ondernemers rond een tafel in de lobby van een hotel. Elke woensdagavond komen ze bij elkaar. Ze vormen de Rotarec, de jongerentak van de Rotary, bedoeld om gebruik te maken van elkaars contacten. Bij een eerdere ontmoeting, twee jaar geleden, was de stemming bedrukt. „De enige duidelijkheid die onze generatie heeft is de wetenschap dat we op niemand kunnen rekenen,” zei één van de Rotarec-leden toen. „We zullen het zelf moeten doen.”

Twee jaar na dato overheerst het zelfvertrouwen. „Er komen steeds meer buitenlandse investeerders naar Servië, die zien hier kennelijk toch potentieel,” zegt Branko Milojevic. Hij vertegenwoordigt in Servië twee Oostenrijkse groothandelaren in sanitaire producten. Met politiek houdt Branko zich niet bezig. „Wat me wel interesseert is hoe Europa naar Servië kijkt. Zien jullie ons nog altijd als een stelletje vechtersbazen en verkrachters? Ik hoop van niet.”

Gedraagt de politicus zich in het buitenland enigszins fatsoenlijk. Eet hij, gezeten aan een banket met internationale gasten, met mes en vork. Kan hij een woordje Engels. Voor Mira Tomic, een jonge filmproducente, zijn die zaken van doorslaggevend belang. „Veel meer durf ik van onze politici niet te vragen.”

Om de verkiezingsoptocht van de radicalen te omzeilen slaat ze luid toeterend en vloekend een achterafstraatje in. Bij een stoplicht vragen twee jonge Roma (zigeuners) om geld. „Ik weet het beter gemaakt,” zegt Mira. „Geven jullie mij maar wat!” In de war gebracht haalt een van de jongens uit zijn broekzak een vijftig dinar-biljet (60 eurocent) en steekt het door het raam. Mira trekt met piepende banden op. „Aan medelijden doen we in Belgrado niet,” zegt ze. „Die jongens houden aan het eind van de dag meer over dan ik.”

Volgens Mira wordt de Servische politiek nog altijd gedomineerd door de Balkan-macho. Maar zijn dagen zijn geteld, zegt ze. „Hij deed ’t goed in oorlogstijd, maar nu staat hij er wat verloren bij. Zijn mannelijke eergevoel voedt hij met het uitslaan van nationalistische taal die niet meer van deze tijd is. Wij vrouwen speelden in het verleden tweede viool, maar redden ons tegenwoordig veel beter. We hebben geen last van gekrenkte trots. De meeste van mijn vriendinnen zijn zakelijk, hard en succesvol.”

Sindikat-rapper Fedja is het daarmee eens. „Een vrouwelijke premier, dat zou Servië’s redding kunnen zijn.” In zijn kantoortje staan tegen de wand stapels met exemplaren van de nieuwste cd. De band heeft besloten om de opbrengst uit de verkoop te doneren aan een opvangcentrum voor slachtoffers van huiselijk geweld. Fedja: „Kort samengevat is de boodschap op de cd: ‘Fuck politics!’ Het zou stijlloos zijn als alleen wij daar financieel beter van worden.”

    • Tijn Sadée