Natuurgeweld

Twee zomers geleden besloot ik een fietstochtje te gaan maken met mijn anderhalf jaar oude dochter. Het was een stralende dag. Geen wolkje aan de IJburgse hemel. Liedjes zingend reden we door het Diemerpark naar winkelcentrum Muiden. Daar kochten we een cadeautje voor een jarige neef en aten we een ijsje.

Op de terugweg betrok in korte tijd de lucht en vielen de eerste druppels. Man belde lachend om te zeggen dat we een nat pak gingen halen. Ik antwoordde vrolijk dat ik hard door zou trappen en dat dochter best tegen een beetje water kon.

We waren zo’n vierhonderd meter van de brug die het park met IJburg verbindt, toen de regen overging in een hoosbui en daarna in hagel. Eerst bonen, toen pingpongballen. Dochter schreeuwde. In één tel waren we allebei doorweekt.

Ik trok haar uit haar zitje en zocht naar dekking, maar die is in het Diemerpark niet voorhanden. Het is gebouwd op een gifbelt, waar beton over is uitgestort. Door die ondoordringbare laag kan er niks groeien met lange wortels en staan er geen bomen. Een struik bood geen soelaas tegen dit natuurgeweld. Ik legde haar neer en ging over haar heen hangen, maar van de grond koelde ze veel te snel af. Lopen, met dochter op m’n buik en de wind en de hagelstenen in m’n rug, schoot niet op. Net als in nachtmerries, kwam ik niet vooruit. Tegen de tijd dat man ons had gevonden, was dochter opgehouden met huilen, wat ons diep verontrustte.

Thuis belden we een ambulance, trokken haar natte kleren uit en wikkelden haar in dekens. Een warm bad – wist man – kon gevaarlijk zijn. Wij huilden, zij nog steeds niet. De ambulancebroeders constateerden dat ze flink onderkoeld was.

Gelukkig kreeg ze zichzelf binnen een half uur weer op temperatuur en hoefden we niet mee naar het ziekenhuis. Om zeven uur zat ze – met een beurs hoofdje van de hagelstenen – weer aan de sperziebonen.

Toen ik een paar uur later mijn fiets ging zoeken, was het windstil. Het park lag er vredig bij. Krekels tsjirpten. Geen wolkje aan de sterrenhemel.