Macht en leed

Tolstoj, geschilderd door Repin (1887) Ilja Repin: "Leo Tolstoj" (1887)

Lev Nikolajevitsj Tolstoj: Kinderjaren. Vertaald uit het Russisch door Arthur Langeveld. Hoogland & Van Klaveren, 135 blz. €19,90

Lev Tolstoj was altijd al erg goed in het schrijven van sterfscènes. Lees zijn allereerste pennevrucht maar, de autobiografische roman Kinderjaren (1852). De manier waarop hij het dienstmeisje de dood van de moeder van de verteller laat beschrijven is huiveringwekkend: ‘Toen kwam ze even overeind, mijn duifje, deed met haar handen zó en zei, met een stem die ik me niet meer wíl herinneren: „Moeder Gods, sta me bij!’’ Toen ging de pijn recht door haar hart, aan haar ogen was te zien wat een verschrikkelijke pijnen de arme stakker leed; ze viel op de kussens neer, beet in het laken; en de tranen bleven maar stromen, lieve jongen.’

Je kunt je afvragen waarin de kracht van die paar zinnen schuilt. Is het dat aanroepen van de moeder Gods, de pijn in die ogen of dat bijten in het laken? Tolstoj had in elk geval maar weinig woorden nodig om iets verschrikkelijks te verbeelden en hij wist die weinige woorden heel goed te kiezen.

Kinderjaren, waarmee Tolstoj meteen doorbrak, was het eerste deel van een drieluik, waarin Jongensjaren en Jeugd zouden volgen. Feit en fictie worden erin door elkaar gegooid. De hele roman wemelt van de kleine gevoeligheden zoals kinderen die hebben. Schaamte, verdriet om niets, verraad in vriendschappen, mateloze bewondering voor het mooie, slimme vriendje, het zijn emoties die je op iedere bladzijde tegenkomt en die herinneringen opwekken aan je eigen kindertijd, aan je eigen zwakheden en verlangens van toen.

Het eerste deel speelt zich af op het ouderlijk landgoed waar de verteller opgroeit in zo’n verloren idylle die alleen maar in de Russische literatuur bestaat, compleet met een gefrustreerde Duitse huisleraar, jachtpartijen, uitgekookte en domme bedienden, verveling, oude adel die het financieel niet meer kan bolwerken.

Vanaf het begin hangt er een wind van verandering op het landgoed, aangezien de vader met zijn beide zoons naar Moskou wil trekken om hen in de hogere kringen te introduceren om hen van ‘wilden’ in beschaafde jongelui te laten veranderen. Wanneer er afscheid wordt genomen van ‘maman’ lees je weer zo’n onvergetelijk mooie scène: ‘Toen ik die stem hoorde, haar trillende lippen en haar ogen vol tranen zag, vergat ik alles en voelde ik zoveel verdriet, pijn en angst dat ik liever wilde wegvluchten dan afscheid van haar te nemen. Op dat moment begreep ik dat ze toen ze vader omhelsde al van ons afscheid had genomen.’ Die scène ontleent zijn kracht aan het feit dat de verteller vóór dit dramatische verdriet beschrijft hoe zorgeloos en ongeduldig hij enkele minuten eerder was, door de opwinding dat hij naar Moskou zou gaan. Misschien ligt hierin wel die andere grote kracht van Tolstoj, dat hij met een enkele stemmingswisseling zoveel leed weet uit te drukken.

Ook in zijn beschrijvingen van mensen toont Tolstoj zich al vroeg een meester. Door de deftige vorst Ivan Ivanytsj, die hij in het Moskouse huis van zijn grootmoeder ziet binnenschrijden, eerst te prijzen om zijn schoonheid en intelligentie en hem vervolgens neer te zetten als ‘goedhartig en gevoelig, maar koud en lichtelijk hooghartig in de omgang’, maakt hij met een paar pennestreken duidelijk hoe moeilijk in die tijd het leven van een belangrijke hoveling was, die zich voortdurend moest wapenen tegen het geslijm van hen die zijn invloed bij de tsaar wilden gebruiken. En dan volgt er even verderop ook nog eens een briljante zin als: ‘Hij was een gezworen vijand van alles wat origineel was en zei altijd dat originaliteit een truc van mensen met een slechte smaak was.’ Van zo’n karakterbeschrijving krijg je welhaast geen genoeg, al was het maar omdat Tolstoj zo laat zien hoe ingewikkeld sommige mensen in elkaar kunnen zitten.

Het hoogtepunt van het boek schuilt echter in de beschrijving van de vriendschap van de verteller met de mooie Serjozja, tot wie hij zich onweerstaanbaar aangetrokken voelt. De verteller hoefde hem alleen maar te zien om gelukkig te zijn, terwijl diezelfde Serjozja de voorkeur geeft aan een ander speelkameraadje.

Het is allemaal heel herkenbaar, maar tegelijkertijd is het zo opgeschreven als je het alleen tijdens een psychoanalyse kunt herbeleven.

De vertaling door Nijhoffprijswinnaar Arthur Langeveld is uitmuntend. Net als in zijn geprezen vertaling van Dostojevski’s De broers Karamazov laat hij zien dat alle oudere vertalingen van Kinderjaren gedateerd, omslachtig en log zijn. Alleen daardoor al is het een genot om Tolstojs eersteling met al die 19de-eeuwse miniatuurtjes te herlezen.